Smakelijk! (vangst #126)

Bouke ten Cate, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Ik ontving een berichtje van D. met de vraag of alles wel goed met me gaat. En waarom ik niet meer schrijf.

De D. die Katrin Van de Velde hier citeert ben ik niet, en dat zeg ik niet zo maar: over wie of wat je ook schrijft, iemand zal zich wel verontgelijkt voelen. En doe je dat nog wel, met zoveel manifest en moedwillig wanbegrip?

Marc Reugebrink waagt zich vanuit Duitsland aan commentaar over de ter plekke helemaal bevrijde vrouwenborst, en weet: niets zo heikel als je als man uitspreken over iets wat vrouwen juist gedurende hele week volkomen terecht als hun eigen domein hebben geclaimd.

Claimen is ook wat de vogelspotters doen bij Els Claessen. Je hebt gewoon een gele kwikstaart gezien. Zelf weet ik niets van vogels, maar in de buurt van Els hebben ze er vast ook met een hoge borst.

Na die daguitstap zag ik het meisje niet meer. Tot ik haar een jaar of vier later zomaar op straat tegenkwam, haar amper herkende. Ik schrok. Ze had nog haar mooie haren en ogen, maar was erg dik geworden. Zelfs de vorm van haar gezicht, de stand van haar ogen, was veranderd. Ze liep moeizaam.
Mijn vriend, die naast me liep, bleek haar te kennen. Ze zat bij hem op school. ‘Iedereen noemt haar Bessie Turf’, zei hij

Uit: Donderdag, 6 juli 2023 op In caso di nebbia

Maar soms lukt het: op het door heggen omzoomde grindterras van de Frannz Club in de Kulturbrauerei hier achter ons huis, bijvoorbeeld, waar mussen op je tafeltje komen zitten om de kruimels op te pikken — soms lukt het: helemaal niets vinden van wat dan ook maar, zelfs niet van de wijn die een dag later toch niet de beste geweest blijkt te zijn.

Uit: Dagen in Berlijn 26: Berlijn zonder mening op De Inwijkeling

In opperste concentratie spiedde ik het jaagpad (opgelet-in-slechte-staat) af naar putten en andere obstakels. Wat verderop zat er een prachtige vogel. Ik herkende hem niet meteen. ‘Wat ben jij mooi,’ zei ik luidop waarna hij opvloog. Zijn blauwgroene buik, felgele hals, en rode kopje vielen meteen op. Zijn snavel deed me denken aan dat van een ijsvogeltje. Maar de vogel daar was groter én mooier. Mijn frank viel: dat was hem. Het was de bijeneter!

Uit: De bijeneter op Gebeurtelijke Ongevallen

Ik hoop dat we hem storen (vangst #125)

Je kon er van op aan, als je aan de nogal excentrieke componist Erik Satie een brief schreef, dan kreeg je ook een antwoord.
Bij zijn overlijden vond men echter een hele resem ongeopende brieven.
Je kreeg een antwoord op iets wat hij helemaal niet gelezen had!

Johan Bosmans probeert de tijdgeest te omschrijven met een persoon en kiest Erik Satie.

De roep om zijn eigen stem te horen klinkt dezer dagen altijd luider dan de roep van de andere.

Luider roepen dan de anderen. Marjanne Sevenant kan ervan meespreken, al is het in haar geval pure noodzaak. Op wandeling in de eeuwenoude stad Amman komt ze uit op een racecircuit, waar gedeelde verontwaardiging uitmondt in een gillend gesprek met een jonge vrouw.

Het trammelant van de auto’s verdwijnt helemaal naar de achtergrond. Hier zitten een Jordaanse en een Belgische amazone samen op hun stokpaardje en daar kan geen blèrende sportbak tegenop. Nog nooit eerder voerde ik schreeuwend dit gesprek, over kinderen, mannen, en relaties. Een toeschouwer kijkt om naar ons, ik hoop dat we hem storen.

Uit: Francorchamman door de Bloghut

Eén van de luidst roepende bloggers in onze haven is Johan Velter. Dagelijks trekt hij van leer tegen ‘katholieken, fascisten, activisten, seksisten en wokisten’ en iedereen die hij daar maar in de verste verte mee in verband kan brengen. Daar stopt hij niet mee als hij het (welhaast genreloze!) werk ‘The woman who always loved Picasso’ van Julia Blackburn bespreekt: En toch is er een zekere sympathie, niet omwille van de kunst maar om de oprechte poging een mens te begrijpen, om het varen tegen de stroom in, het pogen een eigen standpunt te vormen. Blackburn schrijft vanuit het standpunt van Marie-Thérèse Walter, een van de muzes van Picasso. Ze schetst een warm menselijk portret van een relatie, zonder vooroordelen – liefde kan niet beoordeeld worden. 

De liefde niet, maar de afwerking van de publicatie gelukkig wel:

Onbegrijpelijk is dat de dichtbundel geïllustreerd is door Jeffrey Fisher, een illustrator die over de hele wereld bekend is en die toch onnozel werk maakt – de Nederlandse uitgave heeft de vormgeving van het boek overgenomen en is dus even onnozel.

picasso en het geluk door SFCDT

En als ik nu eens een tekst zou schrijven over de tijdsgeest?
Daar moet toch een publiek voor zijn.

Uit: Erik Satie door Vijf voor twaalf

De vangst van Tom Wouters (vangst #124)

NvdR: dit is wel degelijk een vangst samengesteld door Tom Wouters

Philippe Clerick doet aan non-fictie op zijn blog, omdat hij naar eigen zeggen een gebrek aan verbeelding heeft. Dat verbeeldt hij zich maar. Onder de enorme eruditie en intellectuele bagage die hij keer op keer in zijn blogposts laat zien en die ik met veel bewondering lees, schuilt een fantast. Ook iemand die de realiteit op zijn eigen manier met elkaar verbindt doet nieuwe werelden ontstaan. In zijn recente blogpost ‘Pastiche’ deed hij dat op onnavolgbare wijze. Als een Pierre Menard die Don Quichote schreef, behandelde hij onwetend een tekst over een bezoek aan de paus die hij online vond als een geniale pastiche op het werk van David van Reybrouck, tot bleek dat van Reybrouck ook effectief de auteur was. Het geeft deze blogpost een mooie extra laag.

Eindelijk begreep ik het. Karel had die recensies zelf geschreven en had daarbij de ene keer de stijl van Jacques Gans, en de andere keer de stijl van Marcus Bakker gepasticheerd. Ik heb die achterflappen daarna nog vaak met genoegen herlezen – een genoegen dat mij vreemd was gebleven als ik tot het einde toe was blijven geloven dat de recensies echt van Gans en van Bakker waren. Er was door de wetenschap dat de tekst een nabootsing was, een ‘laag’ bijgekomen, zoals literatuurwetenschappers dat zeggen.”

Uit: Pastiche op Clericks Weblog

Erik Herbosch ken ik sinds een jaartje of wat persoonlijk. Sinds vorige week weet ik dat hij ooit bijna zwemkampioen was, ik heb ‘m niet gevraagd wat die “bijna” betekent. Ik ben er wel vrij zeker van dat hij ooit gepubliceerd schrijver zal zijn, want wat een pen heeft die man. Hij heeft een blogpauze ingeroepen voor de zomer om te werken aan een boek. Wat ik aan ‘Toffe jongens’ zo fijn vind is de luchtige weemoed, een toon waarin Erik uitblinkt. Bonuspunten om er een abecedarium in te smokkelen, daarmee haalt hij me helemaal over de streep.

Landmeter, Leraar, we beklommen niet bepaald de hoogste treden op de ladder van het beroepenalfabet. Onze bezigheden bezaten niet de importantie van een Advocaat, Beroepsdanser, Criminoloog of Componist, stelden maatschappelijk heel wat minder voor dan Minister of Notaris en droegen ook niet de luchtige speelsheid in zich van een Xylofoonspeler, Yoga-instructeur of Zaalvoetballer. Saai en dor bleven we beiden halfweg steken, bij de L. Hij werd geen Master-chef, ik geen Romancier.

Uit: Toffe jongens op Sprekershoek van de Schrijverij.

Disclaimer: dit is vriendjespolitiek, maar het is voor de goede zaak. ik ken Jeroen Geuens al jaren. Toen we nog collega’s waren, verbrasten we uren van kostbare werktijd aan absurde gesprekken via Messenger. Hij maakt haast uitsluitend geniale dingen, of het nu tekeningen, filmpjes, muziek of teksten zijn. Vorige week nog stond hij op het podium van Vitalski’s dolle Dinsdagclub, bleek hij de beste podiumkop sinds tijden te hebben. Die man kan alles, alleen is hij zo frustrerend zuinig in het naar buiten brengen van zijn genie. Zo had Jeroen Geuens ooit een blog met daarop hooguit 3 berichten. Intussen heeft hij die ingeruild voor een Substack waar 1 gerecycleerde tekst op staat. Ooit zullen er vuistdikke naslagwerken over het genie Geuens geschreven worden, die dikker zullen zijn dan zijn verzameld werk. Laat deze vermelding in de eerste plaats een introductie zijn tot het onontdekte fenomeen Jeroen Geuens, en in de tweede plaats een warme oproep aan de man zelve om de wereld te laten zien wat ze missen.

Wat doe je van werk?” zei hij. “O. Vooral in het hoofd dus.

Uit: Vooral in het hoofd dus op Het Grote Niets

Tom Wouters, het interview

Tom Wouters Recht van Antwoord (TW): Midden juni werd ik op klaarlichte dag ontvoerd door een man die beweerde voor Aanlegplaats te werken, en hij toonde me als bewijs daarvoor een tatoeage van een anker op zijn enkel. Hij zou me pas vrijlaten als ik wat vragen kon beantwoorden over bloggen. Onder dwang deed ik wat hij vroeg en naderhand stuurde hij me onderstaande tekst door, die een loopje neemt met de waarheid. Tijdens mijn ondervraging vreesde ik daar al voor: de man nam niets op en noteerde weinig. Ik heb gelukkig een recht van antwoord gekregen, eentje dat mij in staat stelt om de flagrante fouten en verdraaiingen weer recht te zetten.

Aanlegplaats: Je weet nooit wie er zal komen opdagen wanneer je afspreekt met Tom Wouters, schrijver van kinderboeken, dagelijkse facebookposts en de blog Het Ongerijmde. Stuurt hij zijn Hongaarse influisteraar Milos, zijn reisboekschrijvende oom Isidoor, of – daar hopen we stiekem op – de nederige wijsheid van een nog onbekende Japanner net na de tweede wereldoorlog?

TW: Na de Tweede Wereldoorlog waren er nochtans niet veel Japanners meer die nederig noch wijs waren. Wel ontmoette ik in Parijs ooit een Japanner die beweerde dat de Seine ontsprong in zijn geboortedorp in Japan, en om dat te bewijzen nam hij een landkaart en tekende de weg die het water aflegde. De Seine ging bij de officiële bron immers ondergronds verder, onder land door en uiteindelijk zelfs onder de Japanse zee door, om in zijn dorp ten slotte weer boven de grond te komen.

Aanlegplaats: Hier, op het terras van Watmann aan het Berchemse Tramplein, huisden immers vroeger de Tramwegen van Antwerpen en Omstreken, gemeenzaam afgekort tot Tao. En was een tante van Tom Wouters daar niet de strenge directrice Personeelszaken?

Het is even wachten, maar dan duikt hij op uit de kelders van het etablissement, hij slaat het boekweitmeel van zijn kleren. “Dit is nog steeds een geheime bakkerswerkplaats, zoals vroeger, wist je dat niet? We werken er aan nieuwe pannenkoeken, waaruit je niet zoals gebruikelijk de toekomst, maar wel het verleden kan aflezen.”

TW: Ik heb nog nooit gehoord van pannenkoeken waarmee je de toekomst kan voorspellen. Wel maakte ik ooit een pannenkoek waar ik in de brandvlekken Formiosa kon herkennen, het vergeten land. Daarover uitweiden zou te ver leiden. 

Aanlegplaats: Ik schenk een groot glas San Pellegrino voor hem in, dankbaar voor het bruggetje naar onze traditionele eerste vraag.

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

Aanlegplaats: Omdat jullie het gevraagd hebben, tiens! (hier, en ook wel elders). Maar dat is niet het hele verhaal. Al sinds het internet bestaat, ben ik er wel ergens op te vinden geweest. Tumblr, MySpace, SoundCloud, ik heb het allemaal gehad. Als muzikant, dadaïst, kinderboekenschrijver of journalist. Maar ik heb een rusteloze schrijversziel, dus heel lang hield ik dat nooit vol. Zo had ik vroeger ook een nieuwsbrief met boekentips: de boekenkast van Oom Tom.

TW: Ik ben nooit een dadaïst geweest, daarvoor ben ik te serieus.

Aanlegplaats: Ik heb altijd veel geschreven, en het schrijven op zich neem ik heel serieus. Dit is wie ik ben, wie ik zal zijn en altijd geweest ben. En toch zat er een zekere terughoudendheid in het zoeken naar een publiek. Het is kwetsbaar, je uiten als kunstenaar. Wat als het niet goed is, of niemand het goed vindt? Die schroom is nu weg, ik ga voluit voor de verovering van de Nederlandstalige Letteren.

TW: Dit is een verdraaiing van mijn woorden. Ik ga niet voluit voor de verovering van de Nederlandse Letteren, want voor je het weet moet je een roman schrijven van 800 pagina’s of meer, moet je mensen te woord staan over de betekenis van je boek, sta je in weekbladen met foto’s. Liever dan de verovering van de Nederlandse letteren zou ik graag een hoekje krijgen, een stukje weiland waar niemand iets mee is, maar waar mensen me wel af en toe kunnen horen. Dat zou al een hele zegetocht zijn.

Aanlegplaats: Mijn dagelijkse stukjes op facebook dienen daarvoor, en ik geef toe de likes en aanmoedigingen wel fijn te vinden. Ze bevestigen dat er voor wat ik schrijf een publiek bestaat. Welke van die stukjes ik ook op de blog plaats is een intuïtieve beslissing. Het heeft zeker te maken met wat bewaard kan worden, maar ze zijn daarom niet per se beter of zo. Vaak zijn het ook de iets langere stukken. Een flits moet flitsen, die leg je daarna niet in de kast.

In de komende periode staan ook wat papieren publicaties op de agenda. In Deus Ex Machina bijvoorbeeld, en nog wat andere, maar daar mag ik nog niets over vertellen. Weet jij daar trouwens niet meer van?

Soit, uitgevers en samenstellers allerhande mogen zich melden.

TW: Al die geheimdoenerij alijd over publicaties! Het doet me denken aan een anekdote die ik ooit uit een geschiedenistijdschrift haalde, waarbij een Chinese keizer er een sport van maakte om zijn vijanden uit de nodigen op een diner en dan tijdens dat diner voor te lezen uit verhalen waarin stond beschreven hoe de rest van de avond ging verlopen. Terwijl de rivaal van zijn soep genoten had en wachtte op de hoofdmaaltijd, hoorde hij de keizer zeggen: “toen hij wachtte op de hoofdmaaltijd, voelde de gast zich slechter worden en stilaan begon hij te beseffen dat de soep vergiftigd was.” Maar goed, was er nu iets met Aanlegplaats?

Wie zou er nog een blog moeten beginnen?

Aanlegplaats: Dat is een bijzonder lastige vraag. Ik lees bijzonder graag over boeken en schrijvers en mensen die daar goed over kunnen vertellen. Op Facebook volg ik wel een aantal mensen die daarover schrijven. Ik denk aan Steven Van Ammel of Arsene Droogakkers. Die heeft al een blog zeg je? Dan staat die toch niet op Aanlegplaats.

En dan verder eenieder die zich niet kan inhouden, denk ik. Die de drang voelt om gelezen te willen worden. Ik volg wel wat facebook mensen, er zijn er niet zo veel die zoals ik dagelijks iets posten.

En verder Steven Boers, beter bekend als Stef Bef, vroeger van Katastroof. Die heeft tijdens de lockdown in een aantal weken De Wesley Trilogie geschreven, een knotsgek boek over buitenaardse wezens, aangevuld met filosofische theorieën, autobiografische elementen en originele invallen. Zou perfect passen in een blog. En het hoeft niet allemaal even ernstig te zijn.

Alhoewel.

Ik ben ook lid van de Nederlandse Academie voor Patafysica. Dat is de wetenschap die zich bezighoudt met denkbeeldige oplossingen. Uit de website: De patafysicus berekent de zijwindgevoeligheid van de optelsom, de oppervlakte van God, of de velosofie, een religieuze studie waarbij de fiets het een en al is; hij stelt een atlas van witte kaarten samen, werkt aan een kadaster van de leegte of aan een geografie van het niets. Hij verdiept zich in de theologie van de spoorwegen en de bronnen van het Oera Linda boek. Sommigen van deze wetenschappers hebben een goede pen, schrijven ook heerlijke boeken. Een patafysische blog zou zeker welkom zijn.

TW: Er wordt hier misschien wat smalend gedaan over de Patafysica, maar neem het van mij aan dat het bloedserieus is. Het is een internationaal vertakte onderzoeksinstelling die teruggaat tot Alfred Jarry eind 19de eeuw en in het verleden roemruchte leden kende als Boris Vian, Umberto Eco en Marcel Duchamp.

Wat zijn de criteria waaraan een goede blog moet voldoen?

Ik hoef niet per se tot in het intiemste detail mensen te leren kennen via hun blog. Leuker vind ik het als mensen literatuur maken van wat ze meemaken, dat ze mooie zinnen maken. En dan hoeft het niet per se allemaal echt gebeurd te zijn.

Het zal je ook niet verbazen dat ik een grote liefhebber ben van verbeelding. Dat is niet hetzelfde als fantasie. Verbeelding is het vermogen om zelf je augmented reality te maken, de dorre werkelijkheid aan te vullen met wat ook mogelijk zou kunnen zijn. Ja, er is echt te weinig verbeelding. En humor.

TW: Dit heb ik niet gezegd. Misschien was er een andere Tom Wouters die dit heeft gezegd. Wel klopt het dat ik een grote liefhebber ben van verbeelding, maar ik heb nooit het onderscheid gemaakt met fantasie. Eerder is verbeelding de verinwendiging van de werkelijkheid. Als ik een man op straat met een ladder zie lopen, dan ontstaat daar automatisch een verhaal bij, en die verhalen schrijf ik op. Daarom ook is de werkelijkheid niet ‘dor’: ze is eerder een sleutelgat waar je door kan kijken. Alleen vergeten mensen dat te doen. Er is dus niet te weinig verbeelding, mensen hanteren ze te weinig. Humor zou ik wel graag meer vinden in blogs.

Aanlegplaats: Op dat moment kijkt Tom Wouters – het was toch de echte, vermoed ik – op zijn horloge. Ik moet gaan, zegt hij, ik heb zo dadelijk les over kwaliteitszorg in het schrijfproces. Iets patafysisch, gok ik, en kijk hem na. Uit zijn hoofd valt af en toe een parel. Die staat morgen op facebook, denk ik.

Al was het misschien de reflectie van de avondzon op een zweetparel.

TW: De auteur van dit interview wil hier een afsluitende poëtische toets geven, maar ik was erbij en het was geen avondzon, het was een bureaulamp die tijdens het gesprek voortdurend op mij stond gericht. Als ik niet op dat moment was begonnen met het uiteenzetten van mijn leven, startend vanaf het moment dat ik uit het ei kwam tot het moment dat ik dood ging in 2099, ik zou er wellicht nog steeds zitten. In de plaats daarvan begon ik mijn interviewer te vervelen met vele details over mijn leven, over het aantal blaadjes dat aan de boom hing waar ik soms onder lag te mijmeren en de oorsprong van het hout van de meubels in mijn kamer. Hij wist genoeg zei hij, en liet me gaan. Maar ’t zou best kunnen dat ik daar nog steeds zit, dat men mij verplicht heeft vanaf nu alleen nog maar te bloggen over de werkelijkheid.


Over onder andere Het Ding, een hofnar en paardengebries (vangst #123)

foto: Grand Foulard

Gert-Jan van den Bemd vertelt een beetje melancholiek over Het Ding dat in Oostende plots verdwenen is. Het Ding laat zich niet makkelijk beschrijven en amper iemand zag het verdwijnen. Een ding is zeker: Het Ding was een veilig baken.

Jan Devriese brom-beert gezellig over het vreemdsoortige theater van koninklijke families. ‘Met koning Albert kon je wel geheid pinten drinken en seksistische praat uitslaan,’ relativeert de hofnar, maar Boudewijn hield het waarschijnlijk bij wijwater.

Geen verdwijnende dingen en stijve toneeltjes van monarchen bij Sarah De Grauwe. Zij laat alles los in La Manche. En droomt het droomlandschap daar hardop.

Ik heb nooit begrepen wat het was. Het leek op een vitrine, een tafeltje op kitscherige poten, gestileerd als muzieknoten. Het was een ding.
Uit: Weg ding van Grand Foulard

Krijg je in een opleiding tot monarch eigenlijk ook een workshop balkonwuiven?
Doorgaans valt ermee te leven, maar af en toe heb ik heel erge last van monarchitis. Bijna tot bubbeltjes toe. Dan zie ik in een flits weer eens zo’n scène op een bordes of balkon, en schiet ik in een kramp.

Uit: Hofnar van De week van Jan Devriese

De oude heuvels zingen, de valleien luisteren. De valken en de hoornaars, het paardengebries en het ezelgebalk, de mestmachines, de krakende stap van de wandelaar, die in zijn spoor telkens wat van zijn zware zelf afwerpt en de steden vergeet. ‘Des paroles qui courent dans le vent.’ Weelderige weilanden, met camembertkoeien, gezandstraalde kathedralen, slaapdorpen, piratenhaventjes.
Uit: La Manche van Sarah De Grauwe

De wereld die jij voor mij toegankelijk maakt (vangst #122)

portret Johanna M Pas, (c) Katrien Scheir

Geef me herkenning, bied me een spiegel, én tover me naar een andere wereld die ik niet ken maar wil ontdekken, die me een beetje bang maakt, maar die jij voor mij toegankelijk maakt.

Met deze woorden leidde Johanna M. Pas (het interview van april dit jaar) haar vangst van de week voor Aanlegplaats in. Johanna overleed donderdagochtend. We hebben haar in onze gedachten als we door onze haven struinen, verdrietig en geïnspireerd.

En dan zien we dat Fien De Block terug is. Vastbesloten terug is: “Dat ik de energie die ik het voorbije half jaar in vruchteloze sollicitaties stak voortaan in schrijfsels omzet waarvan ik zelf de regels bepaal.” Daar. Een glimlach.

Een glimlach die alleen maar sterker wordt als Viktor Frölke ons vertelt waarom hij zo van Amsterdam houdt en Erik Herbosch uit de doeken doet waarom hij niet van juni houdt.

Juni. Juni neemt, de literatuur geeft.

Morgen gaat de derde laatste maand van mijn job als gastprofessor in. Ik solliciteerde voor een resem academische verderzettingen en uitlopers, schreef projecten op rare dagen en ontiegelijk vroege uren voor en na mijn lessen. Ik maakte nieuw lesmateriaal, gaf gratis lezingen, praatte op podcasts en ging op alle uitnodigingen – kansen – in. Ik plande verhuis- en pendelscenario’s voor jobs in zowat alle continenten. Maar er kwam niks. Echt. Niks.

Uit: One more cup of coffee for the road van uittreksels.

ik negeer haar omdat ik wil profiteren van deze prima plek al zeg ik het zelf, maar dan spreekt zij mij natuurlijk toch aan, en niet zonder reden, ze wijst licht hysterisch op een drone boven het water, en juist dan, als we samen de drone gadeslaan, die nogal doelloos in de lucht hangt, als een luie UFO,  een UFO die niet goed weet wat hij wil, of hij wel wil kennisnemen van onze beschaving, wordt hij, de drone dus, aangevallen door een, twee, drie meeuwen, een The Birds-moment; de vrouw en ik halen onmiddellijk onze telefoons tevoorschijn om deze strijd tussen natuur en technologie te filmen, die zal het beslist goed doen op de socials, of anders bij het thuisfront, of ons latere zelf, bij gebrek aan thuisfront, …

Uit: Dit is waarom ik in Amsterdam woon van Viktor Frölke

Juni kondigt zich aan als een prachtig gedicht van dertig verzen. Prelude voor de zomer. De zon heeft de kilte nu echt voorgoed uit het land verjaagd. De truien liggen op het hoogste schap, de nagels van de tenen worden lila gelakt, elegante voeten schuiven in lichte sandaaltjes. Het is juni, het wordt zomer.

           Het is alles schijn.

Uit: Waarom ik niet van juni houd van Sprekershoek van de schrijverij

Mark Verstraelen (vangst #121)

U gaat nu toch al niet weg zeker, sjongesjongetoch! U bent er pas! Neemt u toch de tijd om hier even te vertoeven, wat is dat met u!? Het wordt een aangename tijd, gelooft u mij nu maar. Als u maar luistert.

Zo staat het op de homepage van Sjongesjonge, de blog van – sinds gisteren – wijlen Mark Verstraelen.

De laatste post op de blog dateert van 13 april dit jaar, en begint zo:

Luister: vroeger zat er een jongetje bij mij in de klas, dat was in de jongensschool te V., begin jaren 60. Hij heette Eric of Erik, hoewel het ook Dirk kan geweest zijn. Hij ging dood. Vaak was hij afwezig in de klas en dan wisten wij dat het niet goed met hem ging, ook al werd ons dat niet verteld.

En verderop: Ik ben gezond hoewel ik kleine kwaaltjes heb.

Nog geen tien dagen geleden liet Mark me weten dat hij zou best zou doen om nog één luister te schrijven en te posten: er zitten nog zoveel luisters in mijn hoofd. Ik probeer er met een vriend nog een allerlaatste uit te persen, als het lukt zie je het wel.

En dat de dokters hem nog twee weken gaven.

Zo lang heeft het niet meer mogen duren.

Wie wil, kan uit de stukken op zijn blog zijn leven samenstellen. Boeken. Lezen en schrijven. Vonnegut, leed en veerkracht, liefde en scheppingsdrang. Mensen die hem beter kenden, zullen zich de komende uren en dagen troosten met het opschrijven van hun herinneringen, en die delen op Facebook. Daar leerden ook wij elkaar kennen.

Hier, op Aanlegplaats, laten we hem zelf spreken. Klikt u, net als wij, even door, verdwaal in de teksten en het leven waarover ze getuigen.

Luister: het liefst van al had ik op Gedichtendag mijn vrouw als weesgedicht tegen het raam geplakt, mooier is nooit geschreven. Maar we wonen op drie hoog en stel dat ze loswappert…

Uit: daggedicht

Vannacht zocht ik in het donker van ons appartement naar de essentie van scheppingsdrang. Ik wist zeker dat ik die hier ergens had laten slingeren. Ik keek zelfs even op het balkon, want zo werkt het brein, het laat je overal waar je was zoeken. Terug binnen zag ik in het midden van de houten tafel de vaas met haar bloemen. Ze roken naar stilte en spraken boekdelen.

Uit: Stilte spreekt boekdelen

Luister: gisteren zou Kurt Vonnegut honderd geworden zijn. Zo gaat dat.

Ik ben schatplichtig aan mijn grote literaire idool. Heel veel van mijn stukjes beginnen met “Luister:”.  Het is het eerste woord in zijn meesterwerk Slaughterhouse Five. Dat klopt niet helemaal. Kurt begint dit boek met een soort intro, waarin hij vertelt waarom dit boek er moest komen. De eerste zin van de intro – en dus eigenlijk van het boek – luidt: “Dit is allemaal min of meer waar gebeurd”.

Uit: Luister: Vonnegut heeft me door

Het wereldrijk van Jack Daniels (vangst # 120)

Vreugde-uitbarsting onder de supporters van Aanlegplaats vanwege het verschijnen van de nieuwe vangst.

Er wordt tegenwoordig veel afgegeven op Facebook, maar ik ga daar niet in mee. Zonder Facebook had ik bijvoorbeeld nooit geweten dat vanavond in 9000 Gent de documentaire over de Gentse schrijver Koenraad Goudeseune Ik heb voor niks geschreven in de Studio Skoop zal worden vertoond. 

En dan had ik evenmin de wonderlijke wereld van Tom Wouters leren kennen. Op zijn blog Het Ongerijmde – die perfect voldoet aan de wens van Dirk Leyman dat in een blog woord en beeld elkaar esthetisch dienen te versterken – schrijft Tom meestal absurdistische miniatuurtjes en trekt de werkelijkheid zijn uniek universum binnen. Maar deze keer blijft hij de werkelijkheid op de huid zitten. Jaarlijks houdt de bibliotheek van zijn dorp een uitverkoop en over de zoektocht naar parels tussen de uitgerangeerde boeken van ooit beloftevolle jonge hemelbestormers gaat zijn schitterend stuk Afgevoerde boeken

Nog iemand die de kunst verstaat om woord en beeld op een volstrekt natuurlijke wijze te combineren is Koenraad Vandenborre. In het verhaal Vogelspotters op zijn blog Oefeningen in rusteloosheid is een afgestempelde postzegel uit Venezuela de aanleiding tot een hoogst origineel ornithologisch avontuur. 

Als afsluiter bestelt een vriend van Bene Van Eeghem in een door toeristen verlaten West-Vlaams boekendorp een Italiaanse koffie en met haar zwierige, geestige pen beschrijft ze hoeveel paniek een zoekgeraakte fles Amaretto bij een chaotische kelner, die het gevoel heeft als een circusartiest tien borden tegelijk in de lucht te moeten houden, kan veroorzaken.

Ik zie oeuvres verpauperen van namen als Johan Fabricius, Sybren Polet, Ethel Portnoy, Gerrit Krol, F. Springer en nog veel meer. Misschien worden ze terecht vergeten, dat kan, maar in dat kleine keldertje wordt naarmate ik meer en meer boeken en schrijvers ontmoet die ik niet ken de wereld me te groot, want er is nog veel dat ik nooit gelezen zal hebben en dat intussen al door de kuisploeg wordt opgeruimd. Straks, als ik hier weg ben, dan steken ze de fik erin, dan gaat dit rek ongetwijfeld als eerste de bibliotheek verwarmen tijdens de komende winter.’

Uit: Afgevoerde boeken van Tom Wouters

Er valt een brief in de bus. Dat ik die ochtend de brievenbus leeg, is toeval, op een andere dag had het best iemand anders kunnen zijn. Of de geschiedenis er dan anders had uitgezien, zullen we nooit weten.’

Uit: Vogelspotters van Koen Vandenborre

We heffen gemoedelijk het glas en keuvelen wat. Als de gehavende ober vijf minuten later onaangekondigd alsnog een glaasje amaretto op onze tafel neerpoot en ‘gevonden, voor u!’ roept, is het hek helemaal van de dam. Dit huis heeft iets van Fawlty Towers, maar dan in het echt. Daar fleurt de hele vrijdag van op.’

Uit: De amaretto is zoekvan Benedikte Van Eeghem

Dirk Leyman, het interview

Onder kenners doet het gerucht de ronde dat er op aarde één man rondloopt die nog meer boeken bezit dan Steven Van Ammel van Passa Porta. Die man, u raadde het wellicht al, is Dirk Leyman. Omdat de bel van onze voordeur nog steeds stuk is, klopte hij op een zonnige dag aan. Na de nodige plichtplegingen gingen we aan de eettafel zitten waar ik een bibliotheekmagazijnexemplaar van Parijse feesten van Ethel Portnoy prominent in beeld had gelegd. En nu gebeurde er iets heel bijzonders: Dirk moest toegeven dat hij dit boek van haar nog niet bezat. De rest van haar oeuvre gelukkig wel, zodat zijn blazoen ongeschonden bleef. Hij erkende een liefhebber van haar heldere schrijfstijl vol prikkelende weerhaken te zijn. Twee Ethel Portnoy-fans namen plaats en hadden het tijdens de lunch over literatuur en fotografie – hun andere grote liefde. 

De eerste keer dat ik, jaren geleden, Dirk Leyman ontmoette was op een concert van een frêle zangeres in zaal Trix en ik was starstruck. Toen leek het me nog onwerkelijk dat recensenten mensen waren die echt bestonden en tijdens een concert bier dronken. Mijn ogen dwaalden meer af in de richting van Dirk, leunend tegen de bar, dan naar de etherische schoonheid op het podium. Een vreemde keuze voor een rechtgeaarde old skool heteroseksueel als ik.

Al sinds mensenheugenis is Dirk Leyman de zeer gewaardeerde literair journalist van De Morgen. Hij verstaat de kunst om in een bedachtzame maar stilistisch hoogstaande stijl een boek of oeuvre te doorgronden en heeft daar soms niet meer dan enkele zinnen voor nodig. Steeds hanteert hij een onderkoelde humor en een minzame maar scherpe pen, zonder zich groter te willen maken dan de boeken of schrijvers die hij bespreekt. Als liefhebber van de Franse literatuur weet hij bovendien op volstrekt natuurlijke wijze zijn teksten te verfraaien met enkele uit het Frans ontleende termen. De estheet in Dirk Leyman voelt perfect aan welke gallicismen schoonheid in zich dragen en welke niet. In zijn recensies kom je regelmatig woorden als pudeur of tristesse of ampleur tegen. Maar blaffetuur zelden of nooit. 

Na de lunch hadden we het over bloggen. Want Dirk Leyman is – of beter was – eveneens de man achter De papieren man. De met recht en reden ooit legendarische blog over literatuur, waarvan recent nog Steven Van Ammel – de man met de tweede grootste boekencollectie ter wereld – zich liet ontvallen dat hij hoopte dat deze opnieuw tot leven zou worden gewekt. 

In mijn dagen als hotelreceptionist doodde ik, lezend in De papieren man, menig uur.  Ook ik mis die blog en zo is meteen de link naar onze openingsvraag gelegd.

1) Waarom ben je ooit met een blog begonnen

‘Je doet me flink in het geheugen graven (lacht). Want De papieren man startte rond 2006 en heeft het een vijftal jaar intensief volgehouden. Het was een blog die literair- en boekennieuws bracht, zowel Nederlandstalig en internationaal. Ik startte ermee omdat ik destijds een lacune aanvoelde: op een snedige manier en in een licht ironische stijl nieuws uit de boekenwereld brengen, met een brede actieradius. Speels, maar toch ook goed geïnformeerd en gedocumenteerd, met soms ook een primeurtje. Iets voor echte boekenliefhebbers, quoi.’  

‘Ik vond het belangrijk dat je op De papieren man berichten las die je nergens anders kon vinden. Het begon kleinschalig, maar tot mijn verbazing groeide de aandacht snel – vooral in Nederland. We hadden oog voor internationaal literair nieuws. Zo ploos ik dagelijks The Guardian en een rist internationale kranten uit. Ook als er schrijvers overleden waren, schreef ik daar een obituary over; verder ging ik op tijd en stond een smakelijke, maar geverifieerde roddel niet uit de weg (lacht). Het was die mix van het serieuze en het speelse die aansloeg, denk ik. Langzaam professionaliseerde de blog en vervelde tot een site, die ik liet bouwen, met logo en alles erop en eraan. Later vervoegde Hans Cottyn (nu chef opinie bij De Standaard, nvdr) de eenmansredactie, want de blog was boven mijn hoofd aan het uitgroeien, ik deed dat tussen of naast mijn ander journalistiek werk. Toen de betreurde boekenchef van NRC Handelsblad Pieter Steinz vroeg om samen te werken en berichten doorplaatste én mocht overnemen, kreeg de blog nog meer visibiliteit. Verder ontvingen we ook wat subsidie van het toenmalige Letterenfonds en werkten er nog wat mensen sporadisch mee. Dat was een tijdlang een geoliede machine, zeker. ’ 

‘Er kroop alsmaar meer werk in. De ampleur van de blog groeide. Maar het was moeilijk om er een verdienmodel voor te vinden. Het begon allemaal nogal te wegen qua tijd en energie, want daarnaast werkte ik voltijds voor De Morgen. Na mijn werk schreef ik dan nog blogposts voor De papieren man, soms tot diep in de nacht. En ook: telkens als de literaire actualiteit dat vereiste, moesten we paraat staan. Lezers verwachtten dat. En er waren toen precies meer literaire polemiekjes en schandaaltjes dan tegenwoordig. Dan begon ook de dwang van de sociale media te spelen: ook daar moest je doorverwijzen naar je berichten. Op een bepaald moment begon het wat te veel als labeur aan te voelen. Ik wou wel wat anders gaan doen, meer de handen vrij hebben. 

‘Trouwens: de Facebook-pagina van De papieren man bestaat nog en daar plaats ik regelmatig nieuws op, maar op mijn eigen ritme. Of ik de blog ooit terug ga opstarten? Never say never. Regelmatig krijg ik die vraag opgeworpen, maar ik moet zeggen dat ik er op een bepaald moment teveel de slaaf van werd. Dan ga je nadenken. Daarom besloot ik in 2012 om ermee te stoppen en andere dingen te gaan doen en meer ruimte te maken voor bijvoorbeeld, eigen boekprojecten en ander schrijfwerk. Ik heb de volledige inhoud van De papieren man nog als archief gestockeerd en er zijn gesprekken geweest om die in het Letterenhuis consulteerbaar onder te brengen. Maar de site zomaar als backup in de lucht houden, dat was een te dure zaak.’

‘Hoeveel lezers we hadden? Best veel. We hadden soms twee à drieduizend unieke bezoekers per dag.’

‘De naam De papieren man had ik plots beet maar het is eveneens de titel van een roman van Nobelprijswinnaar William Golding: The Paper Men. Misschien is die ergens blijven hangen? De titel sprak me aan, het bekte goed. Hoewel de blog al jaren niet meer bestaat, word ik regelmatig nog zo aangesproken. Zeker in Nederland als ik op een receptie verzeil tussen boekenlui: ‘Ah: de papieren man is daar…’ Soms werd ik er toen uitgenodigd en voorgesteld als ‘de papieren man’, en niet zozeer als journalist van De Morgen.’ 

‘Een blog beginnen is doodeenvoudig. Maar volhouden is moeilijk, zoals bij zoveel zaken in het leven, natuurlijk. Het is ook een gestage stroom aan berichten die ontstaat. De verwachtingen worden hoger, het is als een hongerig mondje dat je voortdurend moet voeden. Het is ook een fase in je leven. Wat zet je ervoor opzij? Wat doe je er wel voor?’ 

‘Op zich zou ik het weleens opnieuw willen doen, maar dan zonder de druk van voortdurend te moeten publiceren én met een stevig uitgedokterde financiering. In onze hoogdagen schreven Hans en ik drie à vier ruime berichten per dag. Verder werkten we altijd met hyperlinks en droegen er zorg voor om zorgvuldig onze bronnen te vermelden waar we de informatie vandaan hadden. Tegenwoordig wordt daar veel achtelozer mee omgesprongen. Wat is de waarde van een bron voor sommige mensen nog? Ik hechtte eraan alles goed te verifiëren. Qua copyright is het nu wel veel moeilijker geworden qua fotomateriaal.’

‘De samenwerking met Hans, die er pas veel later bijkwam, verliep vrijwel organisch. We hadden allebei de journalistieke spirit te pakken én dat voelden de lezers, denk ik. Aan een half woord hadden we genoeg om te weten wat we moesten doen. We zorgden ervoor dat er steeds een back-up was, bij dringend nieuws. Al het werk dat we in de De papieren man staken, was zo goed als onbezoldigd. Op wat subsidie na, dus. In Nederland kreeg ik nog de Dutch Bloggie als beste literaire blog en in Vlaanderen de Parnassusprijs van het toenmalige Letterenfonds (nu Literatuur Vlaanderen). Dat was een plezierige erkenning, die ik nooit had verwacht.’

‘Ik stel vast dat ik zelf niet meer zoveel naar blogs kijk, want sociale media hebben een beetje die rol overgenomen. Een blog is Facebook zonder likes. En op Facebook begint er iemand met lange posts precies al wel eens te bloggen, wat voor mij daar niet altijd hoeft. En stoppen mensen tegenwoordig niet liever hun tijd in hun Instagrampagina dan in een blog? Het resultaat en de respons is er ook sneller en dat past bij deze tijd. Ik denk ook dat podcasts en vlogs uiteraard het bloggen doen afkalven. Logisch, het gebruik van media evolueert razendsnel. Binnen vijf jaar lezen, luisteren en kijken we weer totaal anders, we kunnen vast nog niet eens bevroeden hoe. Dat blijft ook fascinerend, vind ik. Ik ben altijd getriggerd door de vele kanalen waarlangs informatie tot ons komt. Nieuwsgierigheid moet je blijven koesteren. En ik hou ook niet van cultuurpessimistisch doemdenken.’’ 

‘Ik vind het moedig dat mensen bloggen, maar of ik zelf nog de energie zou kunnen opbrengen?. Twijfelachtig. Blogs die ik boeiend vind, verstaan de kunst om algemene en persoonlijke informatie schrander en spits te combineren. Ik heb het liefst iemand die wat onderwerpen uit zijn universum oppikt en er een beetje mee jongleert. En toch iets meegeeft over bijvoorbeeld een boek dat hij heeft gelezen, over fotografie, een stad, een reis, een eiland… Op die compleet persoonlijke ontboezemingen zit ik niet altijd te wachten, tenzij ze bijzonder goed geschreven zijn. Ik kan mij vergissen, maar ik heb toch het gevoel dat bloggen meer en meer een niche is geworden. De sociale mediakanalen hebben bloggers misschien ingehaald en voorbijgestoken. Voor sommige schrijvers zijn en blijven blogs wel ideale vingeroefeningen. Op een blog kun je rustig aan je stijl slijpen, vermoed ik, zonder dat je afgaat.’ 

2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom? 

(Zuchtend)…. ‘Dat vond ik toch wel de moeilijkste vraag. Moeten het levende mensen zijn? Of mag ik ook overleden figuren het woord verlenen (lacht)?’

‘Maar stel je eens voor dat bepaalde fotografen zouden geblogd hebben, zoals Jacques-Henri Lartigue, Weegee, Lee Miller of Brassaï? Dat zou wonderlijk zijn. Overigens heeft Brassaï ook best een en ander geschreven, dus het had gekund. Er zijn nogal wat fotografen die essayistiek pleegden of over hun werk reflecteerden, soms op de korte afstand.’ 

‘Blogt iemand als Stephen Shore? Of de Amerikaans-Nigeriaanse auteur Teju Cole, die naast schrijver ook fotograaf is, waarover hij de laatste tijd vaker essays publiceert? En de overleden Saul Leiter als blogger…? Ik ben ook een groot bewonderaar van zijn foto’s, maar vrees dat het de magie een beetje zou doden indien je teveel in zijn keuken had kunnen binnenkijken.’ 

‘Ook boeken-vormgevers mogen van mij steeds een blog aanvatten, al houden ze zich nu meestal op Instagram op, begrijpelijk, als etalage voor hun werk. Zo volg ik iemand als Steven Heller, een Amerikaanse typograaf en grafisch ontwerper met ettelijke boeken op zijn naam. Of Chip Kidd. Hetzelfde geldt voor grafisch ontwerper en schrijver Peter Mendelsund, de creatieve directeur van The Atlantic. Kortom: boeiende onderwerpen en mensen die in hun vakgebied specialist zijn en er onderhoudend, fris en toegankelijk én toch met kennis over kunnen schrijven. Met weliswaar een zekere losheid en frivoliteit, daar hou ik van, met af en toe een puntige gedachte waar je kunt op kauwen. Susan Sontag, die mag ook bloggen van mij. Ik herlas onlangs een aantal van haar essays en was opnieuw sterk onder de indruk.’ 

‘Er schiet me ineens iemand te binnen, als je me toestaat. Man Ray! Ik zat nog eens te pluizen in zijn autobiografie Belicht geheugen en in de overvloedige boeken die er over zijn werk bestaan. Voor mij is hij toch een van de grootste kunstenaars van de 20ste eeuw, mede door zijn veelzijdigheid, zijn manier om zich telkens weer heruit te vinden. Ik ben een groot liefhebber van de reeks Privé-Domein. Daar merk je ook hoe goed sommige fotografen of schilders schreven… Onlangs las ik Een klein ja, een groot nee van de Duitse schilder George Grosz die waarlijk begiftigd was met een talent om anekdotes te vertellen én zichzelf zorguldig onder de loep te nemen. En kijk bijvoorbeeld naar Nadar. En hoe zou de Braziliaanse Clarice Lispector haar leven in blogvorm gieten? Niet in Privédomein maar ik weet nog hoe ik gecharmeerd raakte door de autobiografie van Helmut Newton, ik weet wel niet in hoeverre hij die zelf geschreven heeft. Stel je voor dat Helmut Newton had geblogd. Of architecten als Le Corbusier of Robert Mallet-Stevens? En wat zou Andy Warhol gedaan hebben met sociale media, gezien hij zijn leven zo uitvoerig documenteerde. En ja, ook filmiconen als Louise Brooks, Monica Vitti of Lea Seydoux mogen van mij – al dan niet postuum – bloggen – over eender wat zelfs (lacht).’

3) Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is? 

‘Ik merk dat de combinatie van woord en beeld juist moet zitten, als ik wil blijven hangen op een blog. Vaak schort er bij veel bloggers iets aan het evenwicht tussen beiden. Dat is soms een gemiste kans. Jammer genoeg spreekt de vormgeving of typografie van de meeste blogs me weinig aan. Te petieterig, te slordig, te voorgefabriceerd of dan weer te schreeuwerig. Regelmatig heb ik al lezend een gevoel van: “die schrijft interessant, maar het ziet er zo onaangenaam uit. Waardoor ik afhaak en denk: laat maar.’ Het esthetisch aspect kan voor mij dus een afknapper zijn. Zorg er ook voor dat je iets kan terugvinden op je blog via, bijvoorbeeld, een zoekfunctie of werk met tags. En ik hou van literaire speelvogels die toch met kennis van zaken spreken.’ 

‘Ik zei het daarnet al: goede blogs maken je enthousiast over bepaalde onderwerpen en voegen daar iets informatiefs aan toe. Dan kan over vuurtorens, reizen, boeken, mode, fotografie, architectuur, muziek gaan…zolang het maar prikkelend is. Een zéér goede blog is voor mij La République des Livres van Pierre Assouline, de Franse romancier en essayist en beetje duvel-doet-al. Een echte homme de lettres. Hij heeft zoveel culturele bagage. Zo was hij o.m. hoofdredacteur van het magazine Lire, dacht ik. Altijd verrassende invalshoeken over de Franse en internationale literatuur. En wat een gigantische maar nooit pedante eruditie heeft Assouline.’

‘Eveneens zeer goed, zij het niet echt een blog – het hangt er wat tussenin – is Actuallité. Een informatieve site over literatuur – vandaar de dubbele l. Prima site als je over de Franse literaire wereld wil geïnformeerd zijn.’ 

‘Ivo Victoria vind ik een uitstekende blogger. Hij is een auteur die het al zeer lang en vrij consequent doet en bovendien oogt zijn blog uitnodigend en verzorgd. Zijn stukjes staan enigszins los van zijn oeuvre. Ze zijn persoonlijk, zonder dat hij zijn leven uitvent. Ook als columnist in De Morgen vind ik hem een tikje onderschat. Hij is niet het type van de tafelspringer. Integendeel. Victoria heeft vaak genuanceerde, doortimmerde meningen.’ 

‘Iemand als Gerbrand Bakker is wel geestig om te lezen omdat hij soms deskundig moppert over het literaire wereldje, net als Jan van Mersbergen. Maar ik lees het zeker niet consequent, ik glimp eens. Arnon Grunberg is natuurlijk ook altijd de moeite, al gebeurt het dat ik hem even uit het oog verlies. Hij post weliswaar elke dag wel iets. Hij lijkt alle internationale kranten en opiniestukken én belangwekkende boeken gelezen te hebben en heeft er altijd ook iets zinnigs over te zeggen, decennialang al.’

‘Wie ik zeker smaak als blogger, is Bart Moeyaert. Hij legt soms schrandere verbanden tussen zijn lectuur en zijn persoonlijk leven. Als man met een esthetisch oog heeft hij bovendien aandacht voor de vormgeving van zijn blog.’ 

‘Maar laten we eindigen met een vrouw die me geregeld een grimlachje ontlokt: Sarah De Grauwe en De Grauwe Gekheid. Een beetje curieuze naam, mais bon. Op sociale media en haar blog schrijft ze luchtige stukjes waar ze een informatief verhaaltje rond bouwt. Het gaat over zichzelf en haar omgeving, in het Gentse leven, maar ze betrekt er bijna vanzelf allerlei weetjes bij, vaak ook uit de film, kunst of letteren. Of ze maakt een zijsprongetje. Ze creëert een persoonlijke universumpje. Ze heeft voor de korte baan een aangename, meanderende schrijfstijl, met een melancholische tint. Koestert ze al een oude getaande ziel voor haar leeftijd? Haar blog is sierlijk, zelfs lichtjes barok.’

Als geoefende drinkers ledigden we de fles San Pellegrino tot op de bodem en aansluitend troonde ik Dirk mee naar mijn bibliotheek. Meestal valt er een sacrale stilte als ik mijn verzameling laat zien, maar nu klonk die stilte eerder afwachtend. Zijn geoefende bibliofiele ogen scanden snel alle titels en geregeld herhaalde hij: ‘Leuk boek, dat heb ik ook staan.’ Tot er ineens een tweede wonder geschiedde. Gefascineerd nam Dirk The Street Philosophy of Garry Winogrand van Geoff Dyer uit de kast en sprak de nu al legendarische woorden: ‘Dit boek heb ik niet.’

Twee cadeautips voor mocht u Dirk Leyman willen verblijden met een geschenk: Parijse feesten van Ethel Portnoy of The Street Philosophy of Garry Winogrand van Geoff Dyer.

Mogelijkheden (vangst #119)

Binnen de perken zijn de mogelijkheden even onbeperkt als daarbuiten‘, zei Jules Deelder.

Dat alles en nog veel meer overal mogelijk is, daar zijn de volgende bloggers het over eens.

Boeken worden vanuit de toekomst gezonden naar de schrijver, weet Rob van Essen na deskundig onderzoek. Schrijvers zetten die boeken dan nog even in elkaar als een Ikea kastje of warmen het prakje op als een diepvriesmaaltijd om het gevoel nog iets zelf te doen, maar het echte werk gebeurt achter de schermen en een andere tijd (niet dat Saskia De Coster het hier mee eens is, zij noemde verbeelding een niet bestaande mannelijke pseudo-uitvinding – maar zij heeft dan ook geen blog in onze haven).

De bouwvergunning van Lennart Van Staen werd gestolen en wel ’s morgens omstreeks 10u op een schooldag. Natuurlijk kunnen dieven naast geld en juwelen ook interesse hebben in een bouwvergunning. Wie rekening houdt met deze mogelijkheid doet voortaan zijn bouwvergunning gewoon op slot.

Gerbrand Bakker vindt het welletjes geweest. De wereld is klaar, alles is ontgonnen. Begaafde bloggers hebben de laatste mogelijkheden voor u opgesomd. We kunnen onszelf nu best pijnloos uitroeien door bijvoorbeeld een voortplantingsstop. Ook een mogelijkheid om de boel hier nog te redden. De mogelijkheden zijn onbeperkt.

Misschien is het ’t boek zelf, dat vanuit wat nu nog de toekomst is, zijn inhoud doorstuurt aan de ploeterende schrijver die al jaren bezig is het allemaal een beetje rond te krijgen. Maar waarom gaat het stukje bij beetje, waarom zo moeizaam, waarom niet in één keer? Waarschijnlijk om de auteur de illusie te geven dat hij of zij het allemaal zelf verzint, met pijn en moeite, zoals het hoort.
Wie weet is het niet het boek dat zijn inhoud terug de tijd in stuurt, maar vangt de schrijver vanuit de tijd waarin het boek al verschenen is de hersengolven op van zijn toekomstige lezers, en kan hij uit die fragmentarische leeservaringen zijn boek construeren.

uit: De toekomst van de roman maar dan anders op Reddend Zwemmen

Wel, ik had dat papier proper op een OSB-plaat die ik nog had liggen geplakt, drie lagen huishoudfolie erover tegen de regen en de plaat vervolgens vastgemaakt met een halve kilo duct tape aan het muurtje waar ook onze brievenbus aan hangt. Het hing er welgeteld vijf dagen en in het holst van de ochtend van de zesde dag was het weg. Gestolen.

uit: Een facade die achtergevel van Lennart Van Staen

Dat ik ineens de aarde als ‘klaar’ zag, komt door een opeenstapeling van allerlei problemen waar de aardebewoners momenteel mee kampen. Het voelt alsof er een grens is bereikt, niet alleen materieel en geologisch, maar zeker ook sociaal. We staan elkaar soms letterlijk naar het leven via een razendsnelle wereldwijde mogelijkheid om met elkaar te communiceren. Wellicht is het daardoor zelfs zo dat we te veel wéten, dat er geen opium voor het volk meer is. Alles en iedereen is op drift geraakt. We maken ons godbetert collectief druk om welke BN’er er in een soort carnavalspak pak zit en een liedje zingt. Dus bedacht ik dat we de aarde gewoon, net als mijn tuin die klaar is, zouden moeten achterlaten.

uit: (longread in het FD, 6 mei) van Gerbrand Bakker