Het ongerijmde

Borges, Calvino, ontdekkers van werelden.

In hun voetsporen gaat Tom Wouters op jacht naar uitgestorven woorden die niemand nog kent. Soms schrijft hij ook over strips en literatuur, maar het liefst zoekt hij in de wolken naar diersoorten uit vervlogen tijden. 

In het herenhuis waar een baron op rust woont, werkt een man van drie meter lang. De baron – anderhalve meter kleiner, maar hij doet zich groter voor – heeft deze man in dienst genomen om de lampen te vervangen. Dat lijkt een kleine taak, maar in zo’n herenhuis hangen best veel lampen, en elke dag lijkt er wel één stuk te gaan. De man van drie meter lang doet zijn job graag, ook al lijkt hij in sommige kamers gebukt te gaan onder het werk.

Het doel in het leven van Tom Wouters is om een woord te vinden dat rijmt op herfst.  

Gebeur-te-lijke ongevallen

Toen Els op de lagere school zat, bracht de Sint haar een tikmachine. Al een geluk, want vandaag trakteert ze ons op haar eigen Gebeur-te-lijke Ongevallen: een verzameling van anekdotes, kwinkslagen en bedenkingen, uit het dagelijks leven gegrepen.

“Tot drie dagen later, met een hevige niesbui, de vlieg naar buiten werd gekatapulteerd. Ingekapseld in geel slijm lag het als een stilleven in de laatste propere zakdoek die ik nog had. ‘Zie je wel! Zie je wel!’ Ik wilde de wereld laten zien dat ik toch niet gek geworden was.”

Het leven is beslist geen gitaar (vangst #74)

“En zo bezat ik plotseling een luit.”

Of het nu gaat om de impulsaankoop van Jan-Paul van Spaendonck, een zomer schrijven in Frankrijk als Kristel Gijbels (nieuw in de haven, en voor de eerste keer in onze vangst) of nee blijven zeggen tegen de man van het stroopwafelloket, zoals de jonge Marieke Groen: soms weten we gewoon wat ons te doen staat. Het is een kwestie van tijd, van doorbijten en van blijven dromen.

“Nadat de gymlerares die tevens mijn mentor was had gebeld om te vertellen dat ik was geslaagd belde ik twee klasgenoten (2 x 1 tik), die ook allebei waren geslaagd. Daarna wist ik niet meer wat ik moest doen.
 
De diploma-uitreiking was een week later. Tijdens de ceremonie zat ik naast een vriendin, haar ouders en haar broertje. Ook naderhand, toen er drankjes werden geserveerd in de aula, bleef ik dicht bij ze in de buurt. Ik wilde niet dat iemand zou zien dat er voor mij niemand was gekomen.”

Uit: Ovenvast porselein van Marieke Groen

“Het contrast met vorig jaar kan niet groter zijn. Ik verdroeg toen niets of niemand, zelfs de vrolijke stemmetjes van mijn kinderen raasden als sportvliegtuigjes of vervelende wespen door mijn hoofd. Ik voelde me opgejaagd wild, besluiteloos en dolend, en ik weende overal. De tijd glipte door mijn handen, en zo ook mijn leven. En hoe harder ik kneep, hoe minder ik vasthield.”

Uit: Stop all the clocks van Een leven. In snippers.

”Sedertdien bestaat mijn leven uit een worsteling met onwillige stempennen. Tussen de realisering van mijn oude droom, het minstreelschap, en deze eerste kennismaking met de weerbarstige werkelijkheid van dit instrument dat beslist geen gitaar is, zullen er nog heel wat uren gestoken moeten worden in technische zaken. Ik zal advies moeten vragen, misschien les moeten nemen. Maar ik kan al een paar stukjes magisch tinkelende renaissancemuziek spelen, als de dubbelkorige snaren het goed fatsoen hebben om eventjes op toon te willen blijven.” 

Uit: Luit van Voorheen rookzanger

Een leven. In snippers.

Op Een leven. In snippers. zitten we op de eerste rij bij de zinnelijke zoektocht naar het schrijverschap van Griekse godin en zelfverklaard chaotica Kristel Gijbels.

Welk soort schrijver wou ik zijn en was ik überhaupt wel een schrijver? Lange tijd wou ik een ander soort schrijver worden, grappiger, snediger, ik wou vooral die immer aanwezige melancholie uit mijn schrijven snijden, maar je kan eeuwig naar anderen blijven staren en zo jezelf verliezen. Of je kan je eigen pad kiezen. Tegelijkertijd besef ik dat het woord ‘route’ etymologische verwantschap vertoont met het woord ‘roots’. Ik groei mezelf wortels aan op dit pad.

Leve het leven, groots en meeslepend. Leve de snippers, klein en aardend.

De vangst van Gert Brouns (vangst # 73)

Contemplatie als hoeksteen van drie heerlijke vangsten: Sarah De Grauwe, Katrin Van de Velde en Lennart Vanstaen bijten volgaarne in het aas dat leesgoesting heet.

In “De Grauwe Gekheid” die zomaar de Grauwe Werkelijkheid of de Werkelijke Grauwheid zou kunnen zijn bijvoorbeeld, neemt Sarah De Grauwe de achteloze lezer rustig peddelend mee naar de overkant om, daar éénmaal aangekomen, diezelfde lezer er meedogenloos de kop in te slaan (met een lichte overdrijving).

Katrin Van de Velde sleept de lezer dan weer mee in haar net van dromen om te kunnen omgaan met het leven van onregelmatigheden.

En Lennart bestaat het dan weer om er een soort van ‘Yenga toren’ van te maken, die -hoeveel blokjes je er ook uithaalt – pal overeind blijft staan.

Ik ontvlucht de menigte en zoek een plekje waar het stil is om dan, in de echo’s van het feestgedruis, het vreemde verdriet te voelen van de introvert, de hooggevoelige, de asociale, wiens verwoede pogingen om deel te nemen aan de drukte immer tevergeefs blijken.’

Uit: De vlucht uit Volkegem van Sarah De Grauwe

Ik ben allesbehalve een bruut, maar ik vermoed dat het te maken heeft met geshockeerd worden in behapbare doses. Het herinnert mij eraan dat ik leef.

Uit: Dinsdag, 29 maart 2022 op Dagvinder van Katrin Van de Velde

Het is een individuele vlucht in groep, zoals mensen vandaag met elkaar omgaan.

Uit: Tijd om naar binnen te keren van Lennart Vanstaen

Gert Brouns, het interview

Gert Brouns werkt momenteel aan de oprichting van HoofdstukAcht, onafhankelijke uitgeverij van Nederlandstalige Literatuur voor de eeuwigheid, van zowel nieuwe stemmen als “vergeten schrijvers”.

Zo staat het nog op de website van Neerlandistiek, waarvoor hij zeven citaten van W.F. Hermans heeft geselecteerd. Maar, zo zegt Gert Brouns me nog voor we aan het interview beginnen: dat gaat niet door. Hoe ik het ook draai of keer, er is vandaag geen manier om een puur literaire uitgeverij in Vlaanderen zelfbedruipend te laten zijn. Het wordt nog nauwelijks verkocht – de meeste boeken halen geen vijfhonderd exemplaren – de productiekosten ontploffen en drukkerijen geven geen enkele levergarantie meer aan een kleine klant.

En: de zogenaamd onafhankelijke boekhandel wil niet mee. Met vijfentwintig boekhandels die elk garanderen twintig exemplaren af te nemen zou hij de investering nog aandurven, maar ze doen het niet. Voor iemand die jaren met boekhandel Limerick aan de kar van de Vlaamse literatuur heeft getrokken, doet dat pijn.

Het uitgeeflandschap in Vlaanderen verschraalt snel. Dat zou aan de andere kant weer mogelijkheden moeten bieden, er zijn nog steeds lezers op zoek naar goede boeken die niet meteen in de waan van de dag meegaan. Maar een werkbaar business model? Dat blijkt lastig. Een abonnementsformule misschien? Hij lacht er even mee. Ach, als er onder de Aanlegplaatslezers plots vijfhonderd opstaan die een HoofdstukAcht abonnement zien zitten, dan kan het misschien weer wel.

(Voelt u zich net als wij geroepen, dan kan u zich gewoon melden in een reactie onder dit interview, we geven het door aan Gert).

Tijd voor een garnaalkroketje, en het onderwerp van de dag: blogs.

Waarom ben je nooit met een blog begonnen?

Ik hou van lezen, van boeken en teksten. Maar een schrijver ben ik niet.

Al heb ik natuurlijk, net als iedereen, wel een idee voor een roman. Met imago als thema. Ik heb een grondige hekel aan huichelaars, zoals wie me kent wel weet … Maar hoe eraan te beginnen, en wanneer? Geen antwoord hebben op die vraag onderscheidt de lezers van de schrijvers, vrees ik.

Al zijn er natuurlijk wel schrijvende boekhandelaren en uitgevers. Toen ik Limerick net had overgenomen was er op de website ook plaats voorzien voor een blog. De bedoeling was om interessante blogschrijvers er een plek te geven, zoals Aanlegplaats nu doet, maar dat initiatief is toen wat ondergesneeuwd onder de realiteit van de winkel.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Christophe Vekeman natuurlijk! Zijn stem is uniek in de Vlaamse letteren. Hij mag dan in het interview bij jullie wel hebben verkondigd dat hij al genoeg schrijft als werk om ook nog wat gratis weg te geven in een blog, toch zou een plek waar hij wat vrijer uiting kan geven aan al wat hem bezighoudt een aanwinst zijn. Je wil het ook wel eens allemaal samen zien, wat hij zoal bij mekaar schrijft.

En Gaea Schoeters, die ook. Die heeft wel een tabje blog op haar website, maar dat is niet de blog die ze zou kunnen maken. Ze verkondigt vaak en snel meningen via allerlei kanalen, en ik weet zeker dat stukken die met een beetje meer afstand zijn geschreven de posities die ze inneemt nog meer zouden dienen. En het is een geweldige schrijfster ook. Alleen daarom al zou ik haar blog volgen.

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

Lastige vraag. Bloggen is eigenlijk niet meer weg te denken uit het literaire landschap, en toch leeft het wat in de marge. Op een enkele uitzondering na, zoals het kleine kijken van Caro Van Thuyne, volg ik blogs niet actief. Ik moet er bijna per ongeluk over struikelen, of ze via jullie vangst van de week ontdekken.

Maar ook dan lees ik met plezier een aantal stukjes op zo’n blog, om hem dan onmiddellijk te vergeten in de geschiedenis van mijn browser.

In elk geval: laat blogstukjes alsjeblief kort zijn. Niet omdat een tekst niet mag uitwaaieren, maar lezen op een scherm is zo verdomd lastig. Ik kan er mij niet op concentreren. Een tekst die niet gehecht is aan een fysieke drager blijft voor mij altijd vluchtig.

Maar verder ben ik wel modern hoor, en als er in een blog een vonk van herkenning is, een aanknopingspunt met mijn eigen interesses, ja, dan wil ik wel eens klikken.

Terwijl voor een blog uiteraard dezelfde basisvereiste geldt als voor eender welke literaire tekst: vindt en gebruik alsjeblief je eigen stem.

Zaterdagnacht & maandagochtend (vangst # 72)

Net voor het begin van de zomervakantie werd ik geveld door covid. Nu ja geveld. Het was vooral zalig om zonder schuldgevoelens – met mijn hond aan mijn voeten – in bed te kunnen blijven liggen, omringd door boeken, tijdschriften en de betere blogs. Het was heerlijk vermeien in andere werelden – ook al bleven de gordijnen van de slaapkamer gesloten en stond de deur slechts op een kier.

In een wondermooi stuk vol zinnen die vragen oproepen die weer nieuwe vragen oproepen, mijmert Isaura Fluit op haar blog elke dag wel iets over toevallige aanrakingen en eenzaamheid.

Samen met Gert den Toom doen we ons te goed aan een full English breakfast in café Romana, uitgebaat door hardwerkende migranten die geen oog meer hebben voor de heimwee-collages aan hun muur.

Een van de meest onwaarschijnlijke waargebeurde verhalen die ik de afgelopen maanden op de blogs in onze haven heb gelezen, is dat van Ben Tekstschrijver over Americana-zanger David Corley. Ik wil er niets van prijsgeven, behalve dit: lezen is warm aanbevolen. Het gaat, net als bij Isaura, over toevallige ontmoetingen. En zet nadien muziek van David Corley op.

We zijn onwetend over wat we teweegbrengen in een ander. Onze levens strekken zich uit, onzichtbaar als de wortels van een boom die meters verder het plankier omhoog duwt. Er wordt soms aan ons gedacht door mensen die wij al lang vergeten zijn. En wij gaan verder met de afwas of bergen de stofzuiger op

Uit: Niets bestaat van Isaura Fluit

Hij speelde zijn rol als vrolijke, servicegerichte bediende in de lunchroom met verve, bijna te serviel zelfs. Ik meende er iets in te herkennen van wat M. ooit vertelde over zijn werk in een lunchcafé: dat hij een spel maakte van al zijn handelingen, van het opmaken en dragen van de borden, van de gesprekjes met de gasten. Hij acteerde zijn baantje om de sleur dragelijk, om het leuk te houden. In talloze variaties op hetzelfde thema.’

Uit: Geplastificeerde heimwee van Gert den Toom

Terwijl hij net het hart van de zaterdagavond heeft bezongen, begeeft zijn eigen hart het. Hij zakt door de knieën. Op Available light zingt Corley over The end of my run. Is dit het einde van zijn levensloop? De drummer rent in paniek naar de rand van het podium en roept: ‘Doctor, doctor, we need a doctor.’

Uit: Blij-na-reanimatie-buiten-het-ziekenhuis van Ben Tekstschrijver

Punch (vangst #71)

Het is bloedheet wanneer we deze vangst samenstellen, en dan mag het nog meer dan anders: korte stukjes die het moeten hebben van hun punch line en een flinke dosis zelfrelativering.

Ingrid Verhelst reist met een VW Camper California (spoiler: geen goed idee), Koen Van den Borre – voor de eerste keer in onze netten – bevestigt een hangmat (spoiler: met net iets te veel succes), en Gerbrand Bakker doet iets aan zijn lichaamsbeharing (spoiler: het maakt je jonger).

 ‘En – het ergste – na elk kort slaapmoment leek de inktzwarte ruimte nog kleiner te zijn geworden. Onzin, zei ik streng tegen mezelf. Niet onnozel doen, Verhelst. Auto’s krimpen niet, en al zeker niet als ze van Duitse makelij zijn.
… Het hielp niet. De tiende of twaalfde keer dat ik wakker schrok wist ik zéker dat het dak van de VW bijna mijn hoofd raakte, en ineens – uit het niets – wist ik wat er aan de hand was: ik lag niet in een busje, ik lag in een doodskist! 

Uit: Zot zijn enzovoorts, nummer 9 – een doodskist van Ingrid Verhelst (ja, het is een reeks, lees ze vooral helemaal!)

De kortste weg tussen twee punten mag dan wel een rechte lijn zijn, de kortste weg naar een verkwikkend dutje is een boog. Ik verklaar me nader. Rond deze tijd wanneer de tuin in zijn plooi valt en het warme weer aanzet tot ledigheid, komt de hangmat boven.

Uit: Chillen met Tsjechov van Koen Vandenborre

Vanochtend, en dit heb ik nog nergens opgeschreven, stond ik me te scheren. Zo eens in de zo veel tijd moet je (ik) dan ook even goed naar de wenkbrauwen kijken. Des te ouder je wordt, des te sneller groeien de haren in die wenkbrauwen, en trouwens ook de haren in de oren.

Uit: Multigroom van Gerbrand Bakker

(en o ja, dat de titel van deze vangst in deze hitte ook een punch line is, had u wel begrepen, toch?)

Morsige liefde & andere verhalen (vangst #70)

Pour moi, c’est Pol Anoul est dix autres…’.

In de jaren vijftig werd de Belgische voetbalploeg samengesteld door negen selectieheren. Uit elke provincie van ons koninkrijk één. Zo straf als de toenmalige selectieheer van de provincie Luik wil ik het niet maken, maar ook redacteuren van Aanlegplaats zijn maar mensen met smaken en voorkeuren. Ieder van ons heeft een paar vaste waarden waar we steeds op kunnen terugvallen. Bij mij is een van die vaste waarden Philippe Clerick. Deze week was zijn stuk zo sterk – een genuanceerde en zoals steeds bij hem erg geestige reflectie op ‘moeilijke’ kunst – dat het bij een illustere Luikse selectieheer ongetwijfeld de uitspraak: ‘Pour moi, c’est Pol Anoul, Philippe Clerick est neuf autres…’ had ontlokt.

Ook Julie Cafmeyer wist me vanaf de allereerste paragraaf die ik van haar las – nu toch alweer een decennium geleden – te begeesteren. Met een poëtische eerlijkheid schrijft ze over haar morsige zoektocht naar liefde en ze doet dat in een taal die beklijft en die doet uitkijken naar haar debuutroman.

Sinds kort werk ik, tijdelijk, voor de uitleendienst van de VRT. Op mijn nieuwe werkplek ontmoette ik een van de bloggers uit onze haven en nog tijdens ons gesprek dacht ik: hier zit materiaal voor een stukje in. Maar deze keer was de andere blogger – Vincent Merckx – me te snel af. Het was een behoorlijk surrealistisch ervaring om mezelf door de pen van een ander te zien.  

Dat Marienbad, een film van Alain Resnais uit 1961, zou tegenvallen, wist ik al vanaf de eerste beelden. De camera beweegt langs de muren van een barok kasteel dat tot hotel is omgebouwd. Nu heb ik zo al de pest aan barok interieurs, en als ze in zwart-wit gefilmd of gefotografeerd zijn, wordt het er niet beter op. Bladgoud is erg, maar bladgoud in grijstinten is nog erger.’

Uit: Haute couture film van Philippe Clerick

Hij zegt: “Jullie moderne mensen besmeuren elkaars bed met sperma, bloed en andere heerlijke lichaamssappen. Zodra het botst, gaan jullie elkaar uit de weg. Jullie hebben je laten wijsmaken dat liefde alleen iets constructiefs en positief moet zijn. Als je elk ongemak uit de weg gaat, blijft er inderdaad niets over. Liefde is kijken naar de vlekken die je achterlaat in het bed. Liefde is blijven liggen in ongewassen, stinkende, zweterige lakens.

Uit: de man zonder tanden van Julie Cafmeyer

‘In de week waarin ik op goed geluk een camera reserveerde, trof ik een Lezer aan tussen metalen archiefkasten. Een echte nog wel, geen vrienden of familie maar zo eentje die je niet kent, met het grijze golvende haar dat ik ooit hoop te zullen hebben maar waar ik genetisch onvoldoende voor ben aangelegd.’

Uit: sony alpha van Vincent Merckx

De vangst van Katrien Scheir (vangst #69)

Laatst postte Margot Vanderstraeten op facebook een citaat van de Nobelprijswinnende gedragsonderzoekende zoöloog Konrad Lorenz uit 1983:

Vele denkers hebben reeds ingezien dat vernietiging van het milieu én vernietiging van de cultuur hand in hand gaan. De afbraak van het menselijke wordt echter maar weinig beschouwd als een ziekte; slechts weinigen – op Aldous Huxley na – zoeken naar de ziekteoorzaken en proberen tegenmaatregelen te bedenken.’

Mijn vangst is een handvol zuurstof. 

De bloggers lijken op adem te willen komen in een roeptoeterende wereld. Zij proberen weer iets menselijks op te rakelen uit de kudde, iets authentieks te vinden tussen stereotype en heersende stellingen. Zij zetten niet zichzelf in de kijker, maar hun relatie tot de dingen en de wereld. Hun blog brengt rust en energie. Er fonkelt licht in.

Anne Broeksma cultiveert haar tuin en beschrijft dat bijzonder poëtisch. Ze doet denken aan Vita Sackville-West, schrijfster, tuinierster (en ooit minnares van Virginia Woolf). Broeksma vertelt over het kleine, schijnbaar onbeduidende leven in de tuin. Ze toont dingen waar mensen in hun haast en met hun drukdoenerige ikje vaak aan voorbijgaan.  Ze onttrekt er wijsheid uit die confronteert en relativeert.

Mark Reugebrinck bewerkt en dient een tuin der letteren. In die tuin, op een afstand van het geraas, kan je op adem komen en denken. Hij koppelt zijn eerlijke vragen en herinneringen aan het werk van andere schrijvers en filosofen. Nooit is het drammerig of bepakt. Zijn tuin is een open, verscholen plek.

Ook Philippe Diepvents wroet geduldig in de aarde en vindt schatten. Hij denkt dat schrijvers een beetje horen te zijn als archeologen, die uren met hun borsteltjes staan te vegen over een of andere Etruskische vaas. Die kerel met het borsteltje maakt de vaas niet mooier, hij zorgt er alleen voor dat je die kan zien zoals hij oorspronkelijk werd bedoeld.

Het stukje van Caro van Thuyne gaat over een schrijvend leven waar gevoelens en gedachten niet meteen kunnen worden geplukt, maar langzaam groeien. Dat is volgens mij geen gebrek maar een gave.

Op mijn knieën in de rivierklei, uithijgend met een nul procentbiertje op een stoeltje in de schaduw van de hoogstam appelbomen. Terwijl ooievaars overvliegen en avondmist vanuit de velden langzaam de tuinen in sijpelt.

Uit Tuindagboek I op Notulen bij het Ongetemde

Maar kijk naar de varkens. Profeten zijn het, boodschappers van een nakende ommekeer, voorzeggers van een paradigmashift, wraakgoden van de barbecue-mens, heilbrengers van een wereld waarin alle varkens roze zijn. 

Uit Het varken strikes back op De Inwijkeling

Op een dag werden we allemaal wandelaars. De beperkingen van onze wereld dwongen ons daartoe en vandaag wandelen we nog steeds. Vanuit de lucht bezien moet dat vast een komisch, misschien wel ontroerend beeld opleveren.

Uit Voor mijn wandelaar van Philippe Diepvents

Ik mis een of andere schakel tussen denken en spreken. Ik heb een wroetende omweg gevonden langs het geschreven woord maar de schakel die iedereen lijkt te hebben en dus als natuurlijk beschouwt, als normaal en vanzelfsprekend, die ontbreekt bij mij.

Uit Van de heldin en het monster in het harnas op Het kleine kijken

(r) Anne Broeksma – Ons Oud-Zuylense paradijsje op 5 september 2021