Het is schrijven omdat het moet, omdat een schrijver nu eenmaal geen andere keuze heeft. Dat hoeft daarom niet zwaar te wegen, er zijn roepingen die een mens ongelukkiger maken dan deze.
Naar het schijnt zijn sommige mannen bang voor vrouwen met humor. Misschien dat het daarom even geduurd heeft voor we An Olaerts aan onze haven hebben toegevoegd.
Misschien ook niet, misschien gingen we ervan uit dat u ze toch wel zou lezen of horen, ergens.
Ach, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, en niets hoeft voor altijd te zijn. Dat is soms een opluchting, en soms niet.
Mijnheer Cri-Cri was bleek en mager. Hij had geen tijd voor beach fun of wafels met suiker. Hij werkte alle dagen in Bazar Cri-Cri. Hij kiende mannetjes uit voor in de linkerhoek van de etalage. Wielrenners! Soldaatjes! Smurfen! Langs rechts duwde hij iedere ochtend een rek met Belgische spades naar buiten. Na een stuk of 40 jaar kan ik die schop nog altijd ijzig laten blikkeren over de klinkers van de dijk. Staal op steen, uit de winkel van mijnheer Cri-Cri.
Tot hij vorige zomer ineens Marcel Verstraete bleek te heten. Hij was dood. Het bericht hing aan de deur. Hij stond mooi op de foto, met een blauwe trui, een hemd en de pet. Hij poseerde naast een dozijn gestreepte windschermen. Jarenlang had hij nog op een plastic stoel gezeten, met een kussen, uit de wind. Het was alsof sommige dingen wel blijven bestaan: Bazar Cri-Cri en alle heerlijke kinderzomers sinds 1965!
Daarom hebben we de laatste weken de tijd genomen om de infrastructuur van onze haven te vernieuwen en wat uit te breiden.
We nemen die nieuwe infrastructuur tijdens de Paasnacht in gebruik, en dat zal u geweten hebben: voor elke blog die in onze haven is aangemeerd publiceren we dan een bericht, en dat krijgt u in uw mailbox. Vergeef ons deze nachtelijke spam.
Het is sowieso een goede gelegenheid voor u om al deze blogs nog eens te bekijken, en hun plek in de haven te liken en van commentaar te voorzien. Want dat kan nu.
In de week na Pasen krijgt u dan – als ware het vijgen – nog berichten over niet minder dan tien nieuwe blogs die aanmeren in onze haven.
Oh, een man uit één stuk te zijn! Iemand om op te bouwen, volledig in het reine met zichzelf, betrouwbaar en voorspelbaar. Aan ons is het niet besteed. Wij zijn elke week iemand anders.
Onze bloggers ervaren ze wel, de geneugten van het overboord gooien van valse identiteiten. Marita gaat lekker niet terug naar kantoor, Mark Nankman werpt zijn ‘sleepleven’ van zich af en Eva van den Boogaard peutert een niet-menselijk onderdeel vantussen de zachte, vettige huid van haar oorschelp. Als herboren!
Opeens weet je het… je wordt kluizenaar. Was ik in het begin van de pandemie ervan overtuigd dat ik ‘later’ minstens twee dagen in de week naar kantoor zou gaan, inmiddels ga ik liever helemaal niet meer de deur uit nu het openbare leven zich weer normaliseert. Ik realiseer me dat ik gewoon niet dol ben op de aanwezigheid van andere mensen, uitzonderingen daargelaten, en dat ik toch ook een hoop dingen niet heb gemist in de afgelopen twee jaar.
Het gekke is dat ik twee levens leek te leven. In het ene leven stond ik er midden in. In het andere aan de zijlijn, machteloos toe te kijken. Ik had een werkleven en een sleepleven. In mijn werkleven voel ik mij het meest mezelf. Het sleepleven voelde als een leugen en holde me uit. Maar misschien waren beide levens wel gefundeerd op zelfverloochening. Misschien diende het werkleven wel om het sleepleven te vergeten.
Ze heeft me nooit gevraagd of ik dat stukje titanium wel in mijn hoofd wilde hebben. Ze stopte het er gewoon in terwijl ik onder narcose was, voegde iets kunstmatigs toe aan mijn lichaam waar ik geen toestemming voor had gegeven. Pas bij een controle na de ingreep vertelde ze terloops dat ze een prothese had geplaatst.
“Met de voeten vooruit takkelen op de bal en ondertussen ook man en vrouw onderuithalen.” Zo omschreef gastvisser Han Soete deze blog van Johan Velter. Tussen de tackles door vindt de doorwinterde kunstliefhebber op SFCDT een aangenaam midden tussen literair grasduinen en meeneuzen in de laatste exposities of bekende musea. Om te lezen voor, na, tijdens, of ja, zelfs zonder museumbezoek.
‘Maar wat een kunstenaar is Jacques Moeschal! Er is een korte film te zien waarin hij door Ludo Bekkers geïnterviewd wordt, Bekkers zijn vragen streng aflezend van een spiekbriefje, de toon eerder aanvallend dan geïnteresseerd (de ander moet zich verantwoorden, zo interviewde ook Maurice De Wilde zijn slachtoffers: de stijl van de tijd), wel met kennis van zaken en Moeschal die, leunend tegen een werk van hem, op alle vragen ontspannen, gepast, concreet en intelligent antwoordt, ook lof uitspreekt over de vakkennis van de arbeiders die zijn werk moesten uitvoeren, er zijn mensen die onmiddellijk sympathiek zijn, Moeschal is zo’n figuur, hij sigaret rokend, een kop als van Jacques Brel, een generatie die in het gezicht getekend is door armoede, miserie, kou, zichzelf omhoog gewerkt naar een verlicht humanisme.‘
Graag haal ik drie namen uit mijn fuik van mensen die erin geslaagd zijn om mijn kalme vooroordeel dat bloggers louter lieden zouden wezen die zich in de moderne tijd en bij uitbreiding het leven voelen als een vis in helder water vakkundig weerleggen. Ik hou van schrijvers die voortdurend dreigen te verdwalen in dat droevige bestaan van hen, die hun medemens niet per definitie zien als een vriend voor het leven, die de melancholie gepast hoog in het vaandel voeren, en die hetzij naar het verleden verlangen, hetzij er een afschuw van hebben, dat maakt al met al niet veel uit – als ze maar niet al te gelukkig zijn. Niets zo ergerlijk als andermans geluk.
‘Hoera! Het is gewoon de ouderdom! Dat is nog eens troostvol. Ik denk aan mijn papa, die met droge mond en zweetoksels naar de kleine letters op zijn pas aangeschafte laptop staart. Dat die fabrikanten die letters niet wat groter gemaakt hebben… Hij begint elke zoektocht met het tikken van www. Zijn vingers beven over het klavier. Ik kan er bijna niet naar kijken. Sinds enkele weken loopt hij trouwens met een stok.’
‘De harde, onaantrekkelijke waarheid is dat ik geen tevreden mens ben, en dat ik graag hele grote stukken van mijn verleden met een vlakgom zou uitwissen. Niet terugkeren, maar overdoen. Dit keer beter. Níet die mail versturen, sneller vertrekken, niet vertrekken, niet wachten op beterschap maar zelf initiatief nemen, niet die afslag, niet die deur… Ikzelf, schrijver dezes, herkauw mijn verleden niet in proza, zoals Barnard en zoals honderden andere schrijvers. Ik reconstrueer niets in mijn Conscience-romans, ik construeer een andere realiteit, doordrongen van mij maar niet van mijn verleden. Dat was slechts het basismateriaal. Ik ben het (verwrongen, wanstaltige, eigenaardige) eindresultaat. Waarom zou de chefkok zijn ingrediënten rauw naar de tafels laten brengen?
Met betrekking tot Google sprak men vroeger vaak over het recht om vergeten te worden. Niet alles moet eindeloos bewaard worden. Dat geldt, naar mijn mening, ook voor grote delen van het verleden. Het hoeft niet achter ons verbrand te worden, maar het mag wel vergeten worden.
En toch, en toch… Bestaat er een mooier zicht dan een brug die wordt verteerd door de vlammen?’
Op een zondag in maart deed in hartje Gent een cowboy de deur van een fraai herenhuis open en liet me binnen. Het is hier dat de grote stilist Christophe Vekeman al ruim twee decennia aan zijn eigenzinnig oeuvre werkt – zeventien titels ondertussen. De ontvangst was hartelijk en ik betrad schoorvoetend de woonkamer. Overal stonden torens van boeken en muziek opgestapeld, eilanden van cultuur die samen een universum vormen waarin het goed verwijlen is.
Een universum ook waar recalcitrante geesten – artiesten die in leven en werk buiten de lijnen kleuren en bij voorkeur een inktzwart pallet hanteren – een toevluchtshaven vinden.
Als geschenk had ik een stukgelezen pocket van Put Out More Flags van de immer dwarse geest Evelyn Waugh bij.
We trokken naar de zonnige tuin, lieten de hangmat links liggen, openden twee blikjes Cara pils en terwijl Christophe Vekeman achter een wolk van sigarenrook verdween, hoorde ik zijn uit duizenden herkenbare stem zeer pertinente antwoorden geven. Na de vragenronde werd het zo gezellig dat het kantelpunt kwam waarop ik besefte: ik moet nu opstaan en naar huis vertrekken, anders is het zo meteen drie uur ’s nachts en kunnen ook de buren ‘They Ain’t Makin’ Jews Like JesusAnymore’ van Kinky Friedman foutloos meezingen.
Eenmaal thuis kwam ik tot de ontdekking dat ik Put Out More Flags – het cadeau waar Christophe zo verguld mee was – uit pure verstrooidheid weer in mijn rugzak had gestoken en een in Temse geboren Lonesome Cowboy met een lege doos had gelukkig gemaakt.
Waarom heb je nooit een blog gehad?
‘In de eerste plaats omdat ik al genoeg schrijf in mijn leven. Als ik schrijf is het meestal vanuit een professionele of financiële motivatie. Bovendien heb ik al voldoende kanalen tot mijn beschikking. Als ik mijn mening over de actualiteit kwijt wil, heb ik daar mijn column in De Standaard Weekblad voor en als ik iets over literatuur wil vertellen kan het altijd in Pompidou op Klara. Dan rest er me nog weinig thematiek en tijd om op het internet een openbaar dagboek bij te houden.’
‘Verder ben ik nooit computerminded geweest. Zo heb ik niet eens een eigen website. Ik zou bij wijze van spreken niet eens weten hoe een blog op touw te zetten. Ik zie er enkel het publicitaire nut van in, weet je wel, van zo’n blog of zo’n website, en ik doe zo weinig mogelijk dingen om nutsredenen. Omdat ik niet computergeoriënteerd ben – dat heeft deels met mijn leeftijd maar ook met mijn vluchtzuchtige romantische inborst te maken – lees ik ook weinig blogs. Mochten mensen op papier bloggen dan zou ik het zeker meer lezen, maar dat staat natuurlijk haaks op het hele idee.’
‘Een blog – en ik ben geen kenner – lijkt me belangrijker voor de schrijver dan voor de lezer. Je zou het misschien met het vroegere literaire tijdschrift kunnen vergelijken. Die hadden een driehonderdtal volgers – die toen nog abonnees heetten – waarvan er tweehonderdtachtig zelf in het tijdschrift publiceerden of wilden publiceren. Ik doe er zeker niet laatdunkend over maar associeer het enigszins met die sfeer.’
‘Mijn goede vriend en dichter Koenraad Goudeseune zaliger probeerde mij altijd te overtuigen dat de poëzie zich op het internet afspeelt. Want, zei hij, er zitten vier miljard mensen op het internet. Het klopt natuurlijk dat je in theorie een schier oneindig aantal lezers hebt – vele malen hoger dan het aantal lezers van De Standaard of De Morgen. Maar in de praktijk blijkt toch dat je uiteindelijk relatief weinig mensen bereikt. Aan de andere kant: mocht ik nu zesentwintig zijn – de leeftijd waarop ik in 1999 debuteerde met ‘Alle mussen zullen sterven’ – was ik ongetwijfeld wél met een blog begonnen. Als je nu onder de dertig bent, komt het niet in je op om te zeuren dat je niet graag op een computerscherm leest.’
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen?
‘Nu ik toch een verse sigaar heb opgestoken: Yves Bondue. Hij is een echte sigarenkenner. Heb je al van hem gehoord? Hij is een allround artiest: musicus, theatermaker, gids, organisator van literaire vertellingen en hij heeft ook al een paar boeken geschreven. Ik heb Bondue leren kennen door zijn omineus getitelde en vorig jaar verschenen roman ‘Rook!’. Je voelt onmiddellijk: die man kan schrijven én hij heeft het talent van de ware fijnproever. Bij mij beperkt de fijnproeverij zich tot de conclusie dat een sigaar naar tabak smaakt. Hij is zo iemand die na één trek van een Montecristo bevlogen kan vertellen over het vleugje rozijn met lenteaarde en halfbelegen kaas dat hij erin herkent.’
‘Ik lees heel graag over sigaren die ik heb gerookt of van plan ben te gaan roken. En ik mis het enorm in het huidige medialandschap: goede sigarenrecensies. Voor mij zou het een meerwaarde betekenen mocht Yves Bondue aan elke nieuwe sigaar die hij rookt enkele bladzijden wijden. Dus bij deze is hij uitgenodigd. Een sigaar laat zich – als je vanuit een poëtische invalshoek de smaak gaat beschrijven – ook alleen literair benaderen.’
‘Zoals de grote Evelyn Waugh ooit zei: “The most futile and disastrous day seems well spent when it is reviewed through the blue, fragrant smoke of a Havanna cigar.”’
‘Bondue heeft ook de gave om bij het beschrijven van smaken te ontsnappen aan de afgezaagde termpjes die je voortdurend tegenkomt, zoals chocola, peper, aarde, leem,… Die smaakdooddoeners ben ik ondertussen beu gehoord. In recensies komt steeds dezelfde terminologie terug en als je op You Tube naar kenners kijkt lijkt het of sigaren enkel gerookt worden door honderdtwintig kilo zware brulboeien wiens leven zich afspeelt tussen het gesticht en het ouderlijke huis waar ze tot hun zestigste zijn blijven wonen. Dan is de fun er ook snel af.’
Wat is voor jou een goede blog?
‘Het mag interessant zijn, maar het moet goed geschreven zijn. Dat is het hele eieren eten. Bijvoorbeeld die blog van Lennart Vanstaen. Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan. Kortom: eerder het hoe dan het wat. Dat geldt voor de hele literatuur natuurlijk en dus ook voor literaire blogs. Als je zorg voor de stijl draagt maakt het niet uit of die blogs geschreven zijn door oorlogsverslaggevers of door mensen zoals u en ik die nooit iets meemaken.’
‘Het tweede punt is – en mede daarom waag ik me er niet aan – : een blog moet er ook goed uitzien. Dan heb je het weer over die stilering. Net als het brein wil ook het oog wat. Als je een foto plaatst laat het dan een goede zijn. Ook een boek bekijk je eerst alvorens je het opent en begint te lezen. De sfeer die de lay-out uitdraagt is voor mij belangrijk.’
‘En tot slot zou ik zeggen, en dat is een beetje de paradox van het internet: het klopt, akkoord, het internet kent geen grenzen wat tijd en plaats betreft. Mijn column in De Standaard telt achthonderd woorden. Niet meer, niet minder. Die beperking heb je nooit op een blog. Dan is het verleidelijk om als schrijver op het internet je ruimte en tijd te nemen. Maar de paradox bestaat erin dat geen enkele lezer zo ongeduldig is als de online-lezer. De gemiddelde aandachtspanne achter een computer is negentig seconden – heel anders dan bij kranten-, tijdschrift- of boekenlezers. Je hebt dus wel meer ruimte tot je beschikking, maar tezelfdertijd moet jezelf nog méér beperken dan op papier als je de lezer niet wil verliezen. Je moet schaarste in frequentie en lengte creëren.’
Misschien lijkt het anders, met die stralende zon en de mondmaskerloze gezichten, en de planten en de dieren die als vanzelf weer aan een cyclus beginnen.
Maar het is hard werken, de lente.
Deze lente. Want ook in de lente woedt de verschrikking van de oorlog, ook in de zomer wordt straks bloed vergoten (Katrien Scheir). Wordt de haperende levensdrang opgesloten in buisjes en machines (Caro Van Thuyne) en blijkt het onmogelijk om alle regenwormen te sparen (Anne Broeksma).
Op klare dagen hoor je de vogels weer, voor de zonsopgang bespreken ze de dagtaak en ’s avonds evalueren ze. Elk jaar is het wennen. Op de dag van het zomeruur ben ik melancholiek. Natuurlijk schuw ik het voorjaar niet maar als kind moest ik te vroeg naar bed. Uren lag ik wakker en buiten was het feest. In mijn kamer vervormden de schilderijen. Het portret van mijn grootmoeder kroop uit het kader om mijn grootvader aan de andere kant een sneer te geven.
In de hoge bomen achter het ziekenhuis huist een roekenkolonie. Daar heb ik afgesproken met mijn vogelman. De roeken zijn actief en luidruchtig, het tegenovergestelde van de IC. Hun stemmen zijn onmiskenbaar, als kinderen die met kazous spelen. Hun zware kale bleke snavels lichten op in de zon. Waarin verschillen ze nog van hun neven de kraaien, vragen we elkaar. Vliegt een kraai niet net iets sierlijker, met die lange gespreide vingers aan het eind van die traag golvende vleugels? Zijn de vleugels van een roek niet wat breder en stomper? En lijkt zijn vliegen niet meer op roeien? De roeken huppen rond in de toppen van de nog kale bomen, of springen in een nest tot grote consternatie van de vogel die er al zit, ze vliegen weg of keren terug, ze schudden verleidelijk met staarten, vertellen elkaar luidkeels dingen die wij niet begrijpen.
Maar toch was het vandaag even slikken toen ik in de tuin kwam. Ik begin écht weer van voor af aan. Elke meter met een klein schepje loswoelen. Er zijn vast efficiëntere methodes, maar het voordeel is dat je zo alle regenwormen persoonlijk kan begroeten. Je moet er toch opnieuw weer een beetje een relatie mee opbouwen, met die grond.
Eén van de meest interessante lessen uit de menswetenschap die economie heet, is toch wel dat je een uitgave nooit mag verantwoorden door de investering die al gedaan is. Een slecht boek lees je best niet uit, ook al heb je er al 210 pagina’s op zitten. Twijfels over de aanleg van een dure tunnel? De miljarden die al uitgegeven zijn aan onderzoek, consultants en communicatie mogen nooit de reden zijn om dat project dan toch maar uit te voeren. Enzovoort. Doorzetten wordt zwaar overgewaardeerd.
Vaak is het heel verstandig om het bijltje erbij neer te leggen, de handdoek in de ring te gooien of de pijp aan Maarten te geven. Onze bloggers weten dat. Tammie Schoots stopt met haar media-carrière. Jan-Paul van Spaendonck stopt met doen alsof zijn archief hem zal laten voortleven na de dood. Jan-Willem Lubbers roept op om te stoppen met het nastreven van idealen.
Alhoewel ik nooit echt gelukkig ben geweest, verkeer ik nog steeds in de illusie dat ook ik een fijn leven kan leiden. Na die ene radio-aflevering, dan word ik gezien. Na die ene talkshow, dan gaat mijn prins op het witte paard me benaderen. Als ik maar hard genoeg werk gaat iemand vanzelf zeggen: wij bieden je een baan. Elk optreden zou een bouwsteen naar dat fijne leven moeten zijn, het wil maar niet gebeuren.
Ik zie hoe hij kijkt naar mijn uitpuilende boekenkasten. Naar mijn archieven. Een plank vol met dit, een doos vol met dat. Voorbije jaren, vastgelegd in brieven, dagboeken en memorabilia. Afkeurend kijkt hij. Of in elk geval ongemakkelijk, vol onbegrip. Ik begrijp dat er van hem niets te verwachten valt als het aankomt op het behoeden van wat ik beschouw als mijn erfenis.
Laten wij onze waarden niet meer baseren op geprojecteerde werkelijkheden die niet bestaan of waar we slechts vage vermoedens van denken te hebben (geen hemel en hel of nirwana, geen spirituele sprookjeswerelden), niet meer op boeken (Bijbel, Koran, Daodejing, Das Kapital …), historische perioden (Oudheid, Renaissance, Verlichting …) of personen (Jezus, Mohammed, Lao Zi, Marx …). Geen beloften meer van betere of paradijselijke werelden achter een verre horizon in tijd en ruimte, geen verlangen meer naar zuiverheid. Geen idealen meer, maar de acceptatie van een imperfecte en voortdurend transformerende wereld.
Iedereen die jong was in de jaren zeventig en niet uit overtuiging met een Volga reed, herinnert zich nog de angst voor de Russen. Het was volop Koude Oorlog. Atoombommen stonden klaar in achtertuinen aan beide kanten van de ideologische grens. Maar het meest afschrikwekkende wapen van de communisten was toch de kussen vol op de mond waarmee Secretaris-Generaal Leonid Brezjnev politieke vrienden verwelkomde. Het was de tijd dat dissidenten mondjesmaat aan de greep van het IJzeren Gordijn wisten te ontsnappen – wat bij Wim Kan de opmerking ontlokte: ‘Ik denk wel dat de Russen komen, maar één voor één.’
De zwaarte van die tijd weet Marieke Groen heel knap te vatten in haar stuk ‘Terug’. Ook in de twee andere blogposts schemert l’heure bleu door. Dagvinder haalt op subtiele wijze herinneringen op aan een recent overleden tante. En enpassantdotblog brengt de verwarrende zoektocht van een kind naar een palindroom op geestige wijze onder woorden.
‘Als ik als kind niet kon slapen, dan zocht ik naar palindromen, alsof het eerste deel van die samenstelling nietszeggend was, en ik me er bijgevolg ook wel wat nachtrust mee kon winnen. Ik herinner me taartstraat en droommoord, en de frustratie als het net niet klopte. Alsof het universum een Nederlandstalig raadsel was dat bijna opgelost kon worden door een negenjarige in pyjama.’
‘Voor mijn eindexamenvak tekenen schilderde ik twee voeten die schopten tegen een bal. Aan de ene voet zat een Nike, aan de andere een sneaker (‘gymschoen’) met een hamer en sikkel als logo. De bal was een wereldbol en hij was zojuist aan stukken geschopt. Ik was verbaasd dat ik geen tien kreeg voor mijn werkstuk, zo briljant vond ik het zelf.’
‘Mijn tante zit aan de overkant en ik kijk naar haar door mijn kinderogen. Ik zie hoe zij mij niet ziet, en dat is normaal, want ik ben een kind. Tussen haar vingers verdwijnt traag een sigaret. Uit haar mond ontsnappen woorden, rook, leven.’