Ik schreef en ik schrijf en ik schrap en ik frustreer me. In het schrijven ontmoette ik een woeste woede waarvan ik niet wist dat ik ze in me had. Woede om hoe weinig geneeskunde over vrouwenlichamen kan zeggen, woede om dokters die me verschillende hormoonsuppletie voorschrijven en dreigen met kanker bij elkaars raadgevingen, woede om de wachtrijen,woede om de afwezigheid van begeleiding tenzij voor een fertiliteitstraject, woede om de dreiging met onvruchtbaarheid op de pakjes sigaretten die ik kocht uit woede omwille van het voorgaande, woede om vriendschappen die wegvallen omdat ik het leven met de voeten vooruit leef woede om vriendschappen die wegvallen als ik het leven niet met de voeten vooruit leef, woede om mezelf, woede om de walging voor mijn eigen woede.
Daar hebben we, hier bij Aanlegplaats, alleen maar respect voor.
Dikwijls doe ik eenvoudigweg niets en luister naar stilte.
Wat Jan Willem Lubbers dan hoort in die stilte, of in de momenten dat hij toch bij het alledaagse leven aansluit, verwerkt hij tot twijfelende stukken tekst, want ik heb enkel mijn vermoedens. Dat gaat dan over waarden en normen, en het verval daarvan, en de kwetsbare weerloosheid van de pacifist, die deze wereld die mij afwijst niet begrijpt, nooit zal begrijpen en die ook niet meer wil begrijpen.
Omdat getallen mooi zijn, beperkt hij die vaak tot honderd woorden, en dat, zo vinden wij, is vaak moeilijker dan je denkt.
Onze haven is vooralsnog een veilige plek, maar het stormt daarbuiten, en wanneer we onze ogen sluiten (of is het openen?) zien we hoe het water zich stilaan vermengt met het bloed van de wereldpolitiek.
Er valt helaas niet aan de geschiedenis te ontsnappen, en alhoewel er nog geen oorlog in onze netten gevangen werd, schudde de wereldorde ook voordien al op zijn grondvesten.
Zo leert Herman Loos ons via Emmanuel Carrère dat mensen ook in vredestijd allesbehalve vrij zijn. Een vaststelling die Merel de Vilder Robier, door de overheid en Corona (wat oorzaak en wat gevolg is, laten we gemakshalve maar open) gedwongen om een job buiten de kapot geslagen kunsten te zoeken, ons ten overvloede illustreert. We worden al versmacht, zegt Marc Reugebrink, door die neoliberale ideologie. Of hij het over varkens en stikstof heeft, of over ons, ook dat laten we in deze tijden van vertwijfeling graag open.
Wat Carrère doet, is via zijn personages – het is non-fictie maar voor het gemak beschouw ik ze als personages – kipkap maken van bepaalde liberale ideeën die je zou kunnen samenvatten onder de noemer voluntarisme: de idee dat mensen vrije individuen zijn die op vrijwillige basis contracten aangaan en geen overheid nodig hebben om hen te beschermen. Het probleem met de zuivere logica van het liberalisme – of neoliberalisme, om een beetje pedant te doen – is dat contracten niet symmetrisch zijn. In de regel worden ze gesloten vanuit een machtsverschil en bestendigen dat.
Dus, VDAB vénéré, in wiens vervloekte armen die vurte corona mij gedreven ‘eeft, Shauni was geen oplossing. Shauni die zelf totally lost achter haar computer zat. Niet wetend wat met mij, noch met haarzelf aan te vangen. Shauni van Jobfixers, te lange nagels om te typen, te veel make-up op haar babyface, te weinig erwten achter haar voorhoofd, te veel “huh?” om vertrouwen in te boezemen.
Wat overbleef, was het ideologisch gemotiveerde protest: tegen een denkwijze die in Europa en bij nationale regeringen al decennia de boventoon voerde. Méér, schaalvergroting, megastallen, winstmaximalisatie, efficiëntie, het varken al bij leven voorgesneden tot zo-en-zoveel kilo kotelet, zoveel pond varkenshaas, zoveel gram filet; het dier als een in zijn stal geïmmobiliseerde, maar nog net ademende vleesvitrine. Kortom: het inmiddels wat sleets klinkende verhaal over hoe de Goddelijke Markt alles dicteert, vermaalt en stuksnijdt. En dat in een tijd dat ideologie zogezegd niet meer bestond.
Hoppen van blog naar blog, van woord naar woord, van wereld naar wereld en proeven van al het literaire lekkers. Het is heerlijk vertoeven in De Haven van Aanlegplaats. Wat een rijkdom! Kiezen is in dit geval dan ook verliezen. Maar als het echt moet, hier mijn drie favorieten. Maar ga vooral zelf ook eens op verkenning!
Ik smulde van Elke dag wel iets: “een poging tot dagboek”, zoals blogster Sunmoonpisces het zelf omschrijft. Een extra troef bij deze blog vind ik het verrassingseffect. Je klikt op een foto en krijgt een verhaal. Een beeld van een gehavende vrouwelijke soldaat bracht me naar een stukje over Simone de Beauvoir. Bijzonder actueel.
Verder vertoefde ik ook graag op Wings and wonders van Joke Vander Laenen. Het wonder begint al bij het binnenvaren op haar blog. Je krijgt ‘chocolate chips’ geserveerd en ook een fijne uitnodiging voor haar nieuwsbrief. Iemand met aandacht voor het kleinste detail zodat het plaatje helemaal klopt, daar houd ik van. Het stukje ‘Alle menselijk handelen is pogoën’ is een gelaagde en bijzonder geslaagde beschouwing over een zoveelste dag in lockdown.
En dan genoot ik ook intens van de poëtische parels van Arne Schoenevuur. “Dit hoeft niets te worden”, staat er bovenaan zijn blog. Een uitnodiging om te nemen wat je aanstaat. Ik nam ‘Ampersand’ en laat mijn gedachten dwalen op de vragen die hij stelt. Hij creëert een stille plek, waar het fijn verdwalen is.
De laatste tijd ben ik er achter gekomen dat ik de tijd na de oorlog veel interessanter vind dan de oorlog zelf. Ja, de jaren van strijd zijn moeilijk en lastig en er is heldendom en lafheid, en alles is uitvergroot. Maar wat er na komt is de tijd die alles terug naar menselijke proporties herleidt en de vraag stelt naar verzoening en heropbouw. Hoe moet een volk terug leren leven op het ritme van elke dag, terwijl de wonden en de trauma’s nog verre van geheeld zijn? De oorlog stopt niet omdat er een vredesverdrag werd ondertekend. De naoorlogse jaren zijn nog duizend keer complexer en ingewikkelder dan de jaren die eraan voorafgaan.
Op straat is het mondmasker terug, met meerdere functies: oorbel, ringbaardbavet. Mensen dragen het zelfs op de fiets, lekker warm. Examens van toekomstige soorten over deze mislukte roaring twenties worden makkelijk: “Ah op de foto wezens met mondvod, dat moet 2020 of later zijn. Amai zeg, toen had ‘de mens’ nog seizoenen.“
Al sinds mensenheugenis (enfin, toch sinds 2002, het geboortejaar van de organisatie) is An Leenders directeur van en drijvende kracht achter Creatief Schrijven. Ze studeerde Slavische talen, communicatie en cultuurmanagement, maar het zijn partnerschappen, samenwerkingen en vooral veel zotte ideeën die de organisatie hebben gebracht waar ze nu staat: hét steunpunt en kansenplatform voor wie schrijven niet laten kan.
Talloos zijn de schrijvers, in onze haven en ver daarbuiten, die ooit een of andere cursus uit het aanbod van Creatief Schrijvers tot hun voordeel hebben benut.
En ondanks haar motto “Spreken is zilver, schrijven is goud.” konden we haar toch een paar antwoorden ontfutselen.
Heb je zelf een blog?
Wel, ik heb er lang geleden één gehad, met de zeer poëtische titel: zwerftochtvoorbijzonsopgang. Toen mijn man en ik voor een jaar op huwelijksreis waren. Een ongelooflijk avontuur. We zijn in Antwerpen op onze motors gestapt en via Oost-Europa, Iran, India en de zogenaamde “stans” (Oezbekistan, Turkmenistan, Kazachstan) naar Mongolië gereden. Er was in die tijd nog geen mobiel internet. We reisden met landkaarten en onze neus achterna. Ik noteerde onze indrukken en avonturen in een notaboekje en brouwde daar ’s avonds blogstukjes van. We verzamelden er ook de juiste foto’s bij. Als we aankwamen in een grotere stad gingen we op zoek naar het lokale internetcafé en daar tipte ik de teksten over en bewerkte mijn man de foto’s een beetje en zo verschenen de stukjes dan online. Het was dé manier om het thuisfront op de hoogte te houden. Heel fijn om te doen, zowel de reis als de blog. Helaas is de blog door omstandigheden offline gehaald.
Het bloggen blijft wel kriebelen. Het staat al langer op mijn lijstje om er terug één te beginnen, over het reilen en zeilen van ondernemen in een creatieve sector, het concept moet nog wat meer vorm krijgen. Sowieso is het altijd redelijk druk in mijn hoofd. Dingen van me af schrijven is zeker een manier om zaken te verwerken en rust te vinden. Een blog zou dus een prima uitlaatklep zijn.
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen?
Een paar jaar geleden lieten we met Creatief Schrijven op de Boekenbeurs een boom aan het woord. Het was een gekapte plataan van op de Antwerpse leien die daar zijn verhaal vertelde. Een rijke geschiedenis over shrapnels in zijn stam en een huizenhoge olifant die op een dag zomaar passeerde en zijn kruin streelde. Hoe fijn zou het zijn, moesten we de verhalen van bomen kennen. Een boom in het Antwerpse stadspark bijvoorbeeld: welke mensen ziet die dagelijks passeren? Wie rent, fietst en zoeft er langs zijn stam? Overdag en ’s nachts? Hoe heeft de boom de stad zien veranderen? Wat denkt die boom over ons? Ik zou het zo boeiend vinden om dat te weten! Wat denkt de natuur nu eigenlijk over het mensenras?
Wat is voor jou een goede blog?
Tja, dat is ook heel persoonlijk, denk ik. Een beetje afhankelijk ook van wat je op een blog zoekt. Voor mij begint het al bij de kop en de intro. Start de blogpost met een beklijvende situatie, een anekdote of een beeld waardoor ik als lezer geprikkeld wordt? Indien ja, dan lees en scrol ik verder en dan moet het met het lijf van de blog ook goed zitten. Dan spelen elementen als schrijfstijl, een persoonlijke stem en structuur een belangrijke rol. Wordt er gespeeld met witruimte en alinea’s? En ja, het oog wil zeker ook wat. Dus de vormgeving van de blog, voldoende beelden of foto’s die de tekst ondersteunen, en niet louter een plaatje bij het praatje zijn, vind ik ook wel nodig. En dan de staart op het einde, hoe legt de blogger zijn verhaal of post neer? Is er eventueel een uitnodiging aan de lezer om te reageren. Blijft er voldoende ruimte voor de verbeelding van de lezer om nog zaken in te vullen? Het hele blogwezen, van kop tot staart, moet voor mij dus voor 100% kloppen om over een echt goede blog te kunnen spreken.
Wij blogbunnies hebben de neiging teveel in ons hoofd te zitten. Verslaafd aan de valse belofte dat elk woord ons slimmer, geestiger, ja zeg maar gerust beter zou maken, plooien we ons slappe lijf om de laptop en dommelen we in tussen scherpe zinsneden en goed gevonden plotwendingen. Holistische sirenen uit de haven wekken ons deze week. Zeg! Hecht niet teveel belang aan uw hersenactiviteit!
Minister van Hysterie Laura Buelinckx en haar female energy winden zich op over storytellers en cursussen digital detox op Instagram. An Olaerts beeldt zich in dat haar vriendin wordt gediagnosticeerd met een ingebeelde ziekte. Vitalski ziet geen graten in de ontwikkeling van een volmaakt zelfbewustzijn door computers.
Nu, genoeg daarover, straks denkt het mens nog dat ik niet goed in m’n female energy zit en het op haar gemunt heb. Niets is minder waar. Ben bijvoorbeeld oprecht blij voor haar dat ze dankzij een of andere holistische workshop verlost is van haar glutenintolerantie en terug een croissant kan smikkelen zonder diarree te krijgen achteraf. Nee nee, ik was nog maar net bekomen van bovenstaande hetze, of ik zag volgende mindfucks passeren die me een zoveelste zenuwinzinking bezorgden.
De brief riep op tot een echografie. Met vraagtekens had de huisarts er lever en gal bijgeschreven. Achter hypochonder stond gewoon een punt. We waren alletwee benieuwd hoe dat stuk machoverdriet zich daar ging uitlullen. Nee, het zou zijn beste dag niet zijn, aldus de hypochonder.
de gentse filosoof frank vande veire beweert dus dat het onmogelyk is dat computers of robots ooit werkelyk aan zelfreflectie zouden kunnen doen, dat ze nooit echt aan ironie zullen kunnen doen. wat een kortzichtigheid! kyk byvoorbeeld wat de virtuele assistent “siri” vandààg al kan; rocco james conan vraagt aan die computer: “waarom steken kuikens de straat over?” en die machine antwoordt: “omdat die dieren zich in het midden van de straat niet veilig voelen.” ik vind dit al tamelyk ver gaan.
De drie blogposts die deze week door de havenmeester van dienst werden opgevist zijn odes. Een ode aan een vriendschap. Een ode aan 4’33’’ stilte. En een ode aan wilde dromen.
In een ontroerend mooi stuk schrijft Martin Pulaski over Rita, een dierbare vriendin die is gestorven. In enkele beklijvende paragrafen schetst hij hoe waardevol hun vriendschap is geweest en terugblikkend heb je als lezer het gevoel deelgenoot te zijn aan talrijke momenten van moeiteloos geluk.
Jan Devriese gebruikt zijn sterkste wapen, een scherpe pen, om voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat Radio Klara moet blijven. En dat niet alles wat fijnbesnaard is naar Digitalië dient verbannen te worden.
Tot slot is het weer heerlijk toeven in de ongebreidelde fantasie van Julie Cafmeyer. Ze neemt het in het casino op tegen grote mannen, krijgt een aalmoes van Pablo Picasso en hult zich van kop tot beschilderde teennagels in het oranje.
‘We vierden ons weerzien met veel frisse wijn van de streek op een terras op het Wenceslausplein. Het leek erop of dergelijke momenten zich nog vaak zouden voordoen. Het leek erop alsof de tijd niet bestond en dat het leven geen einde kent. Het leek erop dat Rita er voor altijd zou zijn.’
‘Laat Klara met rust, barbaren. Anders organiseer ik een konvooi van gepimpte patsersbakken die naar Brussel rijden terwijl ze allemaal loeihard 4’33” van John Cage door de speakers laten knallen.’
‘In een droom die daarop volgt, speel ik roulette in een casino. Mijn tegenstanders zijn keer op keer belangrijke, mannelijke kunstenaars. Bij elke ronde krijg ik een nieuwe tegenstander. Hun lijf blijft hetzelfde, maar de hoofden veranderen. Luc Tuymans, René Magritte en Pablo Picasso nemen het tegen mij op. Hoewel ik steeds het winnende nummer heb, winnen de mannelijke kunstenaars al hetgeld.’
Tweeënvijftig weken al stelt de redactie van Aanlegplaats voor u een vangst samen, beste lezer. Een heel eerste jaar lang.
Tijd voor feest! En bedankjes. Aan u uiteraard, die de weg naar onze haven steeds meer en beter vindt, aan de blogschrijvers allerhande, de gastvissers, en aan voormalige redactieleden ianthe Cooreman en Dennis Pauwels, zonder wie Aanlegplaats niet zou bestaan.
Er is plaats voor nieuwe leden, aan onze redactietafel. Voelt u zich geroepen? U bent het, ook al lijkt Marjon Meijer te suggeren dat het er niet altijd even gezellig is. Conflict! Gevecht in regel! Waarop Jo Komkommer er vandoor gaat naar Gent om er de plaatselijke John Prine te interviewen, en – preventie is belangrijk – Dirk Van Boxem zich de les rond al dan niet gerechtvaardige verlangens inprent.
U merkt het, bij dit eerste verjaardagsfeest kijken we voor één keer in eigen boezem en blog.
Veel leesplezier!
Wat niemand weet, is dat ik nog altijd niet door heb hoe je iemand eruit stuurt. Ik moet snel een alternatief bedenken. Ik baan mijn weg door de tussenkomst en neem de twee jongemannen mee naar buiten. Ik laat ze tegen elkaar vertellen waarom ze boos zijn. Wat een groot risico is. Er zit nog vuur in hun ogen, ze kunnen ieder moment opnieuw beginnen. Dat gebeurt gelukkig niet. Rechts snapt nog altijd niet waarom links zo boos werd: “Ik heb toch niet gezegd dat ik jouw moeder ging neuken ofzo?” Nee allicht, als iedereen die dat zei zou worden belaagd, stond ik helemaal nergens met mijn invuloefening. Ik vraag ze of ze zin hebben om verder te gaan met de les. De een wel, de ander niet. Ideaal.
‘De urenlange wandeltocht door Gent bracht me naar boekenwinkel Paard van Troje waar ik opmerkte dat de boeken van Wannes Van de Velde en Lieven Tavernier broederlijk naast elkaar stonden. Verder gluurde ik binnen in de Mokabon maar herkende geen besnord silhouet. Maar in een zijstraat van de Vrijdagmarkt zag ik een man op een te grote fiets, die vaagweg leek op een délégué van Sporting Lokeren uit de tijd dat de wonderspons nog medische mirakels verrichtte. De man op de fiets hield halt en zei: ‘Vriendje…’
Het was effectief de grote Gentse zanger die, ergens in het Niemandsland tussen John Prine en Georges Brassens, een geheel eigen universum heeft geschapen waarin verlangen en weemoed hand in hand gaan. En waarin de herfst altijd doorschemert en de liefde soms een vraagteken blijft.‘
Een arm die zich nog net niet helemaal strekt, bekroond met een wapperend handje dat geen vuist wil worden – dat was het eerste woord van Raketman. We noemen het hier ten huize Bijgekleurd de keizerlijke handbeweging.
(…)
Het is een sleutelmoment, zoals alle momenten in de ontwikkeling van een kind, waar ik met een vergrootglas naar probeer te kijken, vloekend op mijn eigen rusteloosheid, die me weglokt van het hier en nu van de keizerlijke. Mijn ouderlijke taak is het om het gebaar te beantwoorden met een eindeloos en genuanceerd ja en neen, zodat de jongen leert dat niet elk verlangen gerechtvaardigd is, en niet elk gerechtvaardigd verlangen zo maar kan worden ingewilligd.
Het fijne aan lezen is dat je het haast overal kan doen. Thuis op de zetel, in de rij voor de kassa, op de tram, of, zoals ik vroeger deed, tijdens de wiskundelessen met een boek op mijn schoot, half verstopt onder de schooltafel. Hoewel je een boek met je kan meedragen en het verhaal zich in je hoofd ontvouwt, kan het je juist ook verbinden met een specifieke plek in de stoffelijke wereld. Zo werkt mijn geheugen toch: zeg me welk boek ik las en ik kan je precies vertellen waar ik toen was.
Wanneer ik me de titel en cover van een gelezen boek voor de geest haal, weet ik weer welk jaargetijde het was, welke muziek ik in die periode draaide, hoe ik me voelde, naar welk café of park ik ging om te lezen. De schrijvers van de vangst van deze week weten literatuur ook met plaats te verbinden, elk op hun eigen manier. Tanja krijgt boekentips uit een Brusselse kringwinkel, Rob van Essen ontdekt met enige tegenzin de Parijse boekwinkel Shakespeare & Co en Sofia de Valk wordt al dichtend de rivier het IJ.
Op de terugweg liggen verdorde kerstbomen te wachten tot ze worden opgehaald. Op een vensterbank staat een lege doos van roomijs met afgedankte champagneglazen. Hoeveel jaar zouden ze zijn meegegaan? Hoeveel feesten hadden ze beleefd, overleefd? Wiens lippen hadden er allemaal aan genipt? De dingen zwijgen, maar vertellen ons soms zo veel.
Ik aarzel, is het niet een beetje een tourist trap, het is niet het oude oorspronkelijke Shakespeare and Co, niet en nooit geweest zelfs, de Amerikaan die deze tweede winkel heeft opgericht is inmiddels ook al overleden en kijk eens hoe druk het binnen is, er staat een lange rij voor de kassa, allemaal jonge instabiele Amerikanen die hier hun Sylvia Plaths, Hemingways en Kerouacs komen afrekenen – maar ze wil graag dat ik het zie en ik ga met haar mee naar binnen en als we eenmaal door de eerste drukke en smalle ruimtes door zijn (met kasten vol boeken van diverse lost generations) zie ik wat het is: gewoon een grote Engelstalige boekhandel.
Selma Franssen is auteur, presentatrice en programmamaker. In 2019 publiceerde ze het non-fictieboek ‘Vriendschap in tijden van eenzaamheid’ bij Houtekiet. Ze schreef artikels voor nationale en internationale kranten en tijdschriften (lees hier waarom ze daar grotendeels mee gestopt is), presenteert events voor o.m. Huis van de Mens, deBuren, Muntpunt en Passa Porta Festival en werkt als programmamaker voor o.a. het Festival van de Gelijkheid en de lezingenreeks Moeilijke Dingen Makkelijk Uitgelegd.
Heb je zelf een blog?
Samen met vriendin Linda A. Thompson heb ik een nieuwsbrief die een beetje voelt als een blog: de Friendly Freelancer. Dit begon als een reeks persoonlijke stukjes over het leven als freelancer – hoe we soms onderbetaald worden, maar ook hoe we onze werkuren zelf bepalen en alles kunnen uitproberen waar we zin in hebben; inmiddels doen we ook interviews met andere freelancers. We zochten een klankbord, of misschien zelfs wel: collega’s.
Wat brengt die nieuwsbrief jou?
Het is voor mij een plek om te ventileren. Er staan véél hysterische GIF-jes op; niemand die me tegenhoudt. Ik kom in contact met andere freelancers, waarmee ik uitwissel over zaken die herkenbaar zijn en waarvan ik nieuwe ideeën oppik. Via dit platform raak ik buiten mijn eigen kringetje. En er staat ook een knop op om ons een koffie te doneren, die wordt best vaak gebruikt.
Ik volgde al langer een andere heel mooie blog, The Island Review over kunst, literatuur en eilanden – ik ben geobsedeerd door kleine eilanden. Daar las ik een post over een vrouw in Letland, Anna Iltnere, die in haar kelder een bibliotheek was begonnen met enkel boeken die over de zee gaan. Fictie, non-fictie, poëzie, kinderboeken, vanalles. Haar blog ben ik dan ook beginnen te volgen. Ze schrijft persoonlijke stukjes, recensies en interviews – allemaal vanuit passie voor boeken en de zee. Schrijvers en kunstenaars, maar ook lokale zeelui passeren er.
Toen ik een klus kreeg als ghostwriter en nood had aan twee weken isolement, kwam ik op het idee om naar Letland te gaan. Eenmaal daar, heb ik Anna gecontacteerd met de vraag of ik op bezoek mocht komen. Dat vond ze leuk. Het klikte: ik nam een stapel boeken mee die ik die weken las, we wisselden literatuurtips uit en het contact houdt nog altijd stand. Af en toe sturen we elkaar per post boeken op. Ze doet dat niet alleen met mij trouwens, ze heeft op die manier een heel netwerk rond zich verzameld.
Ik vind dat zo’n leuk idee, een themabibliotheek aan huis. Anna was geïnspireerd door het verhaal van de boekenwinkel Shakespeare & Co in Parijs. Toen ik er een tijdje terug passeerde, heb ik een ansichtkaart gestuurd; ze was er zelf nog nooit geweest.
Wie moet volgens jou dringend een blog beginnen?
Mag een wat ook? Bij mij om de hoek in de Marollen zit het Arabisch cultuurcentrum Langrange Points. Een organisatie die wordt gerund door vrijwilligers, met een enorme boekencollectie en plek om heel de dag rond te hangen. Zeer interessant, maar ik weet niks van Arabische literatuur! Een blog zou leuk zijn, om het toegankelijk te maken.