Ruth Lasters is schrijver en leerkracht. Ze is op missie: niet alleen strijdt ze tegen de labels van A- en B-jeugd, ook de ‘burn-out-vampier’ in het onderwijs gaat ze te lijf – en wel met een blog! OpMevrouw, u staat voor het bord! De anti-burn-out-blog voor en door leerkrachten schrijft Lasters stukjes die leerkrachten helpen mild te zijn voor zichzelf, te relativeren en vreugde te vinden in hun job.
Een startende leerkracht en een leerkracht met ervaring mogen dan nog roostermatig les geven aan dezelfde klas,in de praktijk geven ze elk les aan een ‘zich totaal anders gedragende’ groep. Er zijn verschillende Jeffrey’s en verschillende Hopes, naargelang ze les krijgen van de ervaren meneer Kuaaz of de beginnende mevrouw Bermans. Leerlingen ruiken immers de onervarenheid van een personeelslid en enkelen van hen kunnen zich daardoor heel anders gaan opstellen ten opzichte van de lesgever.
Was het niet Ambrose Bierce die beweerde dat filosofie ‘A route of many roads leadingfrom nowhere to nothing‘ is?
Al tijdens het lezen van diverse interviews met filosofe Ingrid Robeyns, naar aanleiding van de publicatie van haar boek ‘Limitarisme,’ zat ik te hopen dat Philippe Clerick hierop zou reageren. En kijk. Stiekem verdenk ik de Europese Commissie er trouwens van dat ze op krak hetzelfde zaten te hopen en Robeyns’ wetenschappelijk onderzoek naar de limieten van individuele rijkdom daarom zo rijkelijk ondersteunden.
Tom Wouters, ook bekend als de Franz Kafka van Grobbendonk, ontdekte in zijn boekenruilkast – naast uitgeknipte horoscopen van het jaar 2002, scheefgetrokken streekromans en persoonlijke geloofsboeken – een exemplaar van ‘De wonderparaplu’ van de negentiende eeuwse Hongaarse schrijver K. Mikszath. Wat volgt is een wondermooie liefdesboodschap aan boekenkasten in het algemeen en aan die van zijn grootouders in het bijzonder.
Op de laatste vrijdag van het jaar kijken we samen met Erik Herbosch om naar wat 2023 allemaal bracht. Erik is een man die is aangekomen in de herfst van zijn leven en daar in een aangename beschouwende stijl openhartige stukken over schrijft. Ondanks het feit dat hij in de marathon die het leven is kilometerpaal 35 heeft bereikt, is zijn Reviaanse conclusie: Moedig Voorwaarts! Op naar de toekomst. Op naar 2024.
‘Ik was ook niet de enige die geld veil had voor zo’n Bernstein-plaat, wat verklaart waarom de dirigent-componist zo rijk werd. De film hangt een aantrekkelijk beeld op van de woningen die hij betrok. Een kleine zoekopdracht op het internet leert mij dat Bernstein bij zijn overlijden in 1990 rond de 10 miljoen dollar bezat, wat omgerekend naar hedendaagse waarde 22 miljoen zou zijn. Dat is veel meer dan de 10 miljoen-norm die Robeyns voorstelt in De Standaard en de 1 miljoen-norm die ze voorstelt in De Morgen.
En nu zou Robeyns de vraag dus stellen of Bernstein dat geld ‘verdiend’ had? Hij had het in elk geval niet gestolen. Ik heb indertijd die plaat geheel vrijwillig gekocht.’
‘Boeken die in kasten blijven staan, in welke staat dan ook, vertellen altijd een zekere liefdesboodschap. Onmiddellijk moet ik daarbij denken aan de boekenkast van mijn grootvader, die na zijn vroege dood in 1970 nooit meer werd aangevuld met een nieuw boek omdat mijn grootmoeder niet las. Ze stond in een onverwarmde kamer en zoals een bos dat niet onderhouden wordt, verwilderde ook de boekenkast, met doorhangende planken, romans die door het insijpelende vocht kromgroeiden en de onaangename geur van klammig papier die de kamer vulde.’
‘Veel bijzonders zie ik niet als ik over mijn schouder kijk. U en ik verschillen niet zoveel, we lopen tenslotte allemaal min of meer dezelfde route. Ook ik heb weleens last van okselgeur of slecht humeur. Ook ik snauw weleens onbehouwen en schaam me daarvoor achteraf dan diep, ook ik maak voor een ander veel te weinig tijd, luister vaak te weinig en drink weleens te veel. En de splinter in uw oog zie ik sneller dan de balk in het mijne. We lijken meer op elkaar dan we denken.’
ps zoals u ondertussen weet, is meer fraais van Philippe Clerick en Tom Wouters te vinden in Kant en Wal #1 – dat fantastisch boek van Aanlegplaats. We begrijpen uw teleurstelling dat er geen exemplaar onder uw kerstboom lag, maar geen probleem: we hebben nog wat exemplaren opzij gelegd, en die kan u gewoon zelf kopen. Hier.
Ik zal eens kijken of ik ook niet zo’n binnenfietsinstallatie kan krijgen. Er lijkt me weinig fijner dan fietsen met Matthieu van der Poel, zelfs al is dat slechts virtueel.
Na dat statement heeft vaderlief het helemaal gehad. De stoïcijnse kalmte en pedagogische principes maken plaats voor een hoop onverbloemde verwijten richting de vierjarige. Vader roept dat de kleine moet stoppen met roepen en voegt er ongegeneerd aan toe:
“Het is altijd hetzelfde met jou! We doen iets leuks en dan word jij boos en dan is het voor niemand nog leuk.“
ps meer van Marijke Cornelis? Ze is ruim vertegenwoordigd in het schitterende boekwerk Kant en Wal #1, waarvan u misschien tevergeefs hoopte het onder de kerstboom te vinden. Dan bestelt u het toch gewoon zelf?
De laatste blogpost op Hoochiekoochie is een in memoriam. Het is nog geen zes weken oud, en van ziekte bij Martin Pulaski zelf was nog geen sprake. Hoogstens van ongemak.
En zie nu. Vandaag neemt de wereld afscheid van hem. The last of the gentlemen. Twee decennia lang hoochiekoochie, waarin hij schreef over film, muziek, filosofie, literatuur, poëzie en kunst. Over het leven en de liefde dus.
Kroniek van een kamertjeszondaar is een schatkamer.
Hij vertelt er over zijn opgroeien als schipperskind en op internaat. Getuigt van de hippiecultuur in zijn jeugdjaren, doorzag er ook de excessen van, vrijheid die niet iedereen aankon. Heel zijn leven tastte hij de vrijheid af. Vrijheid? Dat is een verlangen. Dat neem je overal mee, en hij reisde veel. In boeken, elpees en landen.
Vaak droeg hij een hoed, vast om gedachten te beschermen.
Deze collecteur van het menselijke leek niet te stagneren, bleef kunstwerken en muziek ontdekken, filosofen lezen. De romanticus pur sang. Verfijnd, ironisch, melancholiek. Edgar Allan Poe altijd op z’n schouder, Walt Whitman in zijn hart, daar was voorts ook plaats voor Yeats, Sebald, Howlin’ Wolf, The Band, Nietzsche, Kant, Rembrandt, de sfeer van La double vie de Véronique, Easy Rider. Groot hart dat veel kon dragen. Namedropping kende hij niet, hij wekte elke naam tot leven, hield werelden in het licht. Hij gebruikte van die prachtige woorden op het juiste moment zoals catatonisch, deflatoir, abysnaal.
Voor Radio Centraal stelde hij maandelijks Zéro de conduite samen. Uit zijn rijke discotheek zocht hij songs per thema bij elkaar, bijvoorbeeld rond het getal 2, de tijd, kamers. Zijn culturele landschap was bijzonder uitgestrekt. Dat mag niet verkaveld worden.
Hij is vaak te vinden in de vangsten, hier op Aanlegplaats, ook in die van onze gastvissers. Ook in Kant en Wal #1 staat een mooi verhaal van hem.
We bladerden door de schatkamer die deze Kroniek van een kamertjeszondaar is, met onze gedachten bij Agnes, Jesse, de mensen die hem na stonden en die wij niet kennen. We bladerden door de teksten en lazen de mens Matti Brouns (de echte naam van Martin Pulaski).
Deze schitteringen hielden we even tegen het licht:
‘Een tijdje al schrijf ik niets meer. Ik verwaarloos onze taal, die ons nochtans met elkaar kan verbinden en ons mogelijkheden biedt om onze tegenstellingen te overbruggen. Om op bijna alchimistische wijze afkeer en haat in liefde te veranderen.
Dat ik niets schrijf betekent niet dat er niets mee te delen valt. Alles blijft in beweging en er gebeuren zowel goede als slechte dingen. Vaak krijgt wat slecht is meer aandacht, maar je zou het betere toch ook nooit uit het oog mogen verliezen.’
Je beseft dat mensen die wel afscheid kunnen nemen net zo goed eenzaam zijn. Dat ook zij wel eens in de spiegel kijken en daar het verval zien. Je weet dat zij in hun lelijke en gevaarlijke auto’s en in hun nachtmerriekantoren niet minder verlangen naar een vorm van bevrijding dan jij.
Ontsnap aan nieuwe slachtpartijen. Ontsnap, herbegin. Ook in deze oude, niet te tellen tijd. Verzin verzinsels en ongenoegen. Labyrinten van bijeengesprokkeldedroomspreuken. Bedenk een woning in Alaska,in Valley Stream. Een kachel en een ledikant.
Ik zal niet ontkennen dat films als Shane en boeken als De Graaf van Monte Cristo en de verhalen van Edgar Allen Poe dat ook al hadden gedaan.Maar op een zwoele zomerdag in een kleine roeiboot in Bocholt op de Zuid-Willemsvaart, die de Maas met de Schelde verbindt, hoorde ik uit mijn kleine transistorradio de gigantische sound van River Deep-Mountain High ten hemel stijgen. De stem van Tina Turner, aangevuurd door het genie van Phil Spector, die overweldigende wall of sound, met een echo diep als de Stille Oceaan, hoog als Mount Elbert in Colorado, raakte mij tot in elke vezel van mijn lichaam en ziel, die meer één werden dan dat ooit was voorgevallen in een van de vele Heilige Missen die ik in mijn kinderjaren, toen ik diepgelovig was, had bijgewoond. Ik was nu een missionaris van Tina Turner geworden. Meteen voelde ik ook aan wat seks werkelijk was, hoe uitzinnig verschroeiend en allesomvattend. River Deep-Mountain High heeft mij toen op die drie minuten en vijfentwintig seconden voor altijd betoverd.
Betekent één enkele sequoia niet meer dan zo’n ideaal van je? Om nu nog een Cherokee te worden is het te laat. Om middernacht vertrekt de laatste trein naar Het Barre Land. Doe wat je moet doen en doe het goed. Omhels een boom, zoals Véronique.
Op 16 mei 2012 vroeg ik me af wat ik nog eens een keer leuk zou vinden. Ik stelde vast dat ik alles al leuk had gevonden, dat er niets meer overbleef om leuk te vinden. Er bleef werkelijk niets meer over. Ik geloof dat ik vervolgens de hele tijd met het de handen in het haar heb gezeten. Vanaf dan ben ik vrij snel helemaal kaal geworden. Vooral omdat ik me zo heb moeten inspannen om toch maar weer dingen leuk te gaan vinden. Als ik nu eerlijk ben is het vandaag nog veel erger. In 2012 was ik nog ironisch. Nu is het allemaal echt: er is niets leuks meer onder de zon en de maan.
Tenzij dan de zon en de maan zelf, wat schaduw en wat regen. Een tomaat, een forel, asperges, een liedje van Ann Briggs, I Wish I Was A Mole In The Ground van Bascom Lamar Lunsford. Tenzij een boek of twee van W.G. Sebald (niet écht leuk, wel meesterlijk), een film van Jan Komasa (ook niet écht leuk, wel aangrijpend). Tenzij mijn allerleukste vrienden (en welke vrienden zijn nu niet leuk!). Tenzij de meeste rivieren en zeeën en de sterren in een donkere streek zonder lintbebouwing. Tenzij tapirs (die ik nooit in het echt heb gezien), olifanten en panda’s. Tenzij de verhalen van Heinrich Von Kleist. Tenzij… Laat mij er maar mee ophouden: er zijn te veel leuke dingen om ze allemaal op te kunnen sommen.
A.L Snijders ziet in een tram een zakkenroller een portemonnee rollen. Hij zegt dan: ‘Ik grijp nooit in, want ik ben niet sterk genoeg om het recht op straat te handhaven. Ik zou wel een officiële rechter willen zijn, in een toga met een witte bef. Rechtspreken in een zaaltje met centrale verwarming.’
Marieke Groen behandelt hetzelfde thema. In de bioscoop fluistert onophoudelijk een vrouw, ‘scherp als papier dat wordt doorgescheurd’. Zegt ze er wat van? Of ik mezelf zie zitten. En dan ook nog bij dezelfde film, want uit de termen ‘klassieke muziek’ en de beschrijving van de openingsscène weet ik dat het om de film Tár gaat. Ben ik ook geweest.
De hoofdrolspeelster verscheen in beeld. Ze zat in een stoel tegenover iemand die haar interviewde. Ik hoorde niet wat er werd gezegd, ik luisterde naar het gefluister aan het einde van de rij. Voor me zat een man die al een paar keer passief-agressief had gezucht en blikken naar achteren had geworpen, maar dat had weinig zin in het donker. Ik twijfelde of ik iets zou zeggen. Ik oefende zinnetjes in mijn hoofd. Kort, niet agressief. Doeltreffend.
Koen Vandenborre ontvangt een brief uit een ver land. Op de postzegel staat een oranje troepiaal, een prachtig vogeltje dat in onze contreien niet voorkomt. Koen beseft dat hij toe is aan een nieuwe hobby. Heerlijk hoe hij je op het verkeerde been zet. Ik neem aan dat zijn verbeelding hier een woordje meespreekt.
‘s Avonds post ik een wazige foto van de oranje troepiaal op een forum voor vogelaars. ‘Dit mij onbekende exemplaar gespot op Kesselberg, iemand enig idee?’ Gewapend met een verrekijker begeef ik me de volgende ochtend vroeg met koelbox naar het hoogste punt en wacht geduldig af. Op de eerste gegadigde is het niet lang wachten, rond de middag zijn ze al met een half dozijn, de volgende uren wordt het pas echt druk. Er zitten een paar zeldzame exemplaren tussen. Vogelaars spotten, het is weer eens wat anders.
Jan Devriese moet erbij – sowieso – omdat hij een prachtige definitie heeft gegeven van tekstschrijven: Mijn vak is schrijven. Ik schrijf teksten voor wie het zelf niet kan en gek genoeg is mij daarvoor te betalen. Wat ik ook doe: zieke teksten genezen, goeie teksten nóg beter maken en briljante teksten met rust laten. Soms is iets níet doen ook vakwerk. Hij schrijft soepel, of het geen moeite kost, wat zijn vakmanschap verraadt. Zijn observaties zijn herkenbaar. Ik hou ook van zijn milde ironie.
Soms houden wij halt bij een kunstwerk. Dan doen wij alsof wij er verstand van hebben, en knikken wijsgerig wanneer wij naar drie aan elkaar gelaste ringen staren. En als wij denken dat niemand ons in de gaten heeft, werpen wij vlug een steelse blik op de titel van het kunstwerk, in de hoop dat die ons iets wijzer zal maken. Dan staat daar meestal: ‘Zonder titel’. Of ‘Drie aan elkaar gelaste ringen’. Op zulke momenten zijn wij dringend aan een koffie toe. Of drie glazen bier.
Boekpublicerende bloggers – sinds we met Aanlegplaats onze eerste Kant en Wal in de boekhandel en onze voorraadkast hebben liggen, duiken ze plots overal op. We vermoeden dat ze vroeger ook al bestonden, zeker in Vlaanderen (nietwaar Jo Komkommer?), maar nu deint het fenomeen ook uit naar Nederland.
Ben de Graaf is tekstschrijver van beroep, en benoemt de dingen graag zoals ze zijn. Ben Tekstschrijver dus, en we voegen in onze wekelijkse vangst graag nog wat lezers toe aan zijn trouwe publiek, 950 volgers groot.
We stelden hem onze onze vragen en lieten daarbij het woord ‘navelknagertje’ in het midden. Ook zo benieuwd naar wat dat is? ‘Navelknagertje en 100 andere verhalen’, zijn boek, is gewoon te koop en wel hier.
Een blog. Waarom heb je er zelf een? Ik werkte als tekstschrijver op de communicatieafdeling van ziekenhuis Tergooi in Hilversum. Sinds de start van mijn tekstbedrijf in 2010 publiceer ik elke maand een blog op mijn website. Eerst dacht ik: ik moet bloggen over mijn vak. Dus ik schreef een blog over de spatie. Bijvoorbeeld met de vraag: als je op een aankondiging ‘naakt modelschilderen’ ziet staan, wie moet er dan uit de kleren? Het model of de schilder? Ik schreef over het irritante gebruik van het woord ‘welke’ in een zin als ‘de lift welke buiten gebruik is’.
Maar: ik merkte dat veel collega-tekstschrijvers al goed over het vak schreven. Moet ik dan ook nog eens vertellen hoe je een persbericht schrijft? Toen dacht ik: als ik over mijn dementerende moeder schrijf en de tekst raakt mensen, dan is dat óók een visitekaartje voor mijn tekstschrijverschap. Sindsdien gaan mijn onderwerpen alle kanten op, van mijn moeder tot muziek, van zingeving tot mijn hond. Ik wil wel dat het – althans in mijn optiek – goedgeschreven ‘stukkies’ zijn, elke komma hou ik tien keer tegen het licht.
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom? Lastig. Ik zou natuurlijk kunnen zeggen: koning Willem Alexander, want het is misschien best aardig om over de persoonlijke belevenissen van onze koning te lezen. Maar een goed blog kan niet zonder een vaardige pen, en ik weet niet of Willem Alexander lekker schrijft. Dat weet je pas als je teksten van mensen gelezen hebt.
Dit gezegd hebbende zou ik niets liever willen dan vanuit het hiernamaals dagelijks een blog ontvangen van mijn schrijfheld A.L. Snijders. Een postduif kan ‘m dan misschien komen brengen. Snijders is de meester van het zeer korte verhaal (zkv). Ongelooflijk welk een levenswijsheid hij in één alinea kan leggen. En dat dan ook nog eens gebracht met een verkwikkende lichtheid.
Ik lees nu het boek Verder ontken ik alles van Sander Donkers, een verzameling teksten van maximaal 150 woorden die gepubliceerd zijn op de voorpagina van de Volkskrant. Zijn observaties zijn haarscherp. Zo ziet hij een vrouw twee kinderen uit haar oude Volvo halen. Haar krullen slaan in haar gezicht, zo hard waait het. Ik citeer: ze wekt de kleuter met een kus en positioneert hem bij de achterklep. Ze gespt de baby los, legt die met één vloeiende beweging te rusten in de bocht van haar hals, schopt met haar hak het portier achter zich dicht en ziet dan dat een rukwind de halfslapende kleuter te grazen neemt. Net voor het hoofdje de straatstenen raakt, trekt ze hem aan zijn capuchon omhoog, om vervolgens met een monter ‘Ging net goed hè?’ de beginnende brulpartij te neutraliseren. Sander Donkers eindigt dan met het juiste woord op de juiste plaats: Vakwerk.
Dit is niveau A.L. Snijders. Van Sander Donkers wil ik elke dag wel een blog lezen. Hoeft niet per postduif, mag gewoon per mail.
Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is? Ook lastig, omdat persoonlijke smaak hier een rol bij speelt. Net zoiets als kijken naar een schilderij of foto: je vindt het mooi of niet mooi. Toch kun je hier wel iets ambachtelijks over zeggen: hoe zit het met de compositie, het perspectief, de focus? A.L. Snijders vertelde tijdens een masterclass: ‘Schrijf over jezelf, over wat je hebt meegemaakt, maar hou het daar niet bij, dan wordt het anekdotisch. Voeg verbeelding toe, dan wordt het interessant.’
Wat vind ik een mooie tekst? Jarenlang hing boven mijn bureau de spreuk ‘Moeilijk praten is gemakkelijker dan eenvoudig schrijven’. Niet elke volzin is zinvol. Ik ben allergisch voor onnodig gewichtig, ambtelijk en barok taalgebruik. Alsjeblieft geen gekunstelde taal die een zweem van literaire pretentie oproept. Aan de andere kant ben ik gevoelig voor stijl. Het gaat me vaak meer om ‘hoe’ iets gezegd wordt dan ‘wat’ er gezegd wordt. Dan heb ik het over zaken als: ritme, toon, spanningsboog, alliteratie, metafoor, punchline.
Dan kom ik op mensen als de eerder genoemde Snijders en Donkers, maar ook op iemand als Jean Pierre Rawie. Hij schrijft gedichten die te begrijpen zijn, hij schrijft – zoals hij zelf zegt – ‘geen wartaal’. Vaak dwingt hij zich bewust in het keurslijf van een sonnet. Zijn proza is doorspekt van archaïsch taalgebruik – schrik niet van een woord als onzentwege – waardoor zijn teksten een authentieke maar ook ironische toon krijgen. Heerlijk!
Bloggers staan voor eerlijkheid, kwetsbaarheid en authenticiteit. Wat ze vertellen is misschien niet altijd helemaal waar, maar wel zo waarachtig dat het pijn doet aan je ingewanden – of op zijn minst een beetje jeukt. Deze week schrijven drie van hen over de struggles van het doen alsof – of het doen zoals, zoals Hannes Couvreur uitlegt. Sam Sterckx maakt komaf met het fake it till you make it mantra en leest een boek van Hemingway. Ingrid Verhelst tenslotte doet stukje bij beetje het verhaal van Maria uit de doeken, een vrouw van 81 die pas gelukkig werd nadat ze haar man Emiel vijf jaar geleden had laten gaan.
Zullen we vanaf nu afspreken dat wanneer autistische mensen zich proberen te handhaven in een neurotypische omgeving ze niet “doen alsof” maar “doen zoals”? Want “doen zoals” is wat we allemaal doen. We kopiëren elkaars gedrag voortdurend. Het is de meest fundamenteel menselijke manier om te leren. “Doen alsof” impliceert dat we iets doen tegen beter weten in. Idem voor “maskeren”. We “doen zoals” tot we, vaak tot wanhoop van onszelf en onze naasten, merken dat het ons niet lukt, dat het niet meer gaat. Vaak gaat dat gepaard met verwijten zoals “waarom kan je niet zoals x of y doen?” of zelfverwijten zoals “waarom kan ik niet zoals x of y doen?” We zijn niet zoals x of y. We zijn anders. En door het leven gaan zoals x of y dat doen, dat werkt voor ons niet.
Iemand zei me ooit om nooit te tonen wat ik echt denk. Om te blijven gaan, terwijl het hart langzaam breekt. Elke dag doen alsof, tot zelfs je spiegelbeeld erin begint te geloven. Die persoon is al lang dood. Verteerd, tot er alleen maar aarde overbleef. Ik ben niet jaloers op mensen die zichzelf succes aanpraten. Zij die geloven dat hun masker eeuwig kleeft, vallen harder naar beneden.
De kerkdeuren piepten. Een man in een grijs kostuum liep de middengang door, sloeg een kruisteken en verdween in wat ik dacht dat de sacristie moest zijn. Maria leunde achterover, voor zo ver dat gaat op een kerkstoel, en staarde wazig voor zich uit. ‘Tijdens het feest was Emiel het toonbeeld van romantiek,’ zei ze zachtjes. ‘Hij offreerde mij de ene coupe champagne na de andere, en danste met zijn ogen dicht, één hand op mijn schouder, één hand op mijn billen. In de taxi naar huis keek hij zo diep in mijn ogen dat ik er draaierig van werd. Morgen ben ik in verwachting, dacht ik. Nee, dus … De deur van ons villaatje was nog niet goed dicht of hij draaide zich naar Jacques.’
ps Meer van Sam Sterckx? Ook hij heeft een bijdrage geleverd aan Kant en Wal #1, onze eerste publicatie. Het ideale eindejaarscadeau voor uzelf en al uw naasten. Bestellen kan hier.
Het is niet iedereen gegeven om met een ongebonden blik naar de actualiteit te kijken en er iets origineels over te schrijven. Philippe Clerick kan dat. Sterker nog: vaak, vermoed ik, heeft hij nog gelijk ook. Na het ontslag van Connor Rousseau heb ik tientallen opiniebijdragen gelezen die ongeveer allemaal hetzelfde beweerden en er vooral op neerkwamen dat de schrijvers van de stukken verschrikkelijk deugden en nog nooit een onvertogen woord in de mond hadden genomen. Philippe Clerick liet een compleet ander geluid horen en hij argumenteert glashelder waarom Connor Rousseau geen racist is.
Een van de voordelen van bloggen is dat je kan schrijven over onderwerpen die je nauw aan het hart liggen en dat je je niet hoeft te bekommeren over oplages of verkoopcijfers. Het geeft je de vrijheid om het, bijvoorbeeld, over de minder bezochte achtertuinen van cultuur te hebben. In Elke dag wel iets schrijft Isaura Fluit (vermoedelijk een pseudoniem) in haar prettige, franjeloze stijl over wat haar aandacht trekt. Vaak zijn dat onderbelichte culturele parels die ze al reizend of in haar huiskamer (her)ontdekt. Haar stuk over Close to the Knives, de memoires van David Wojnarowicz, overtuigde mij in ieder geval om het boek te bestellen én deed me uitkijken naar een warme kroeg op een regenachtige herfstdag in Liverpool.
Eindigen doen we met een bevreemdend verhaal van Marieke Groen over een Japans koppel dat hun irritante zevenjarige zoon in een bos vol beren achterliet in de hoop dat hij tot inkeer zou komen en later zou opgroeien tot een bijna even deugdzame man als Marc Reynebeau.
‘Of Rousseau nu ‘eigenlijk’ een racist was, is één van de vele vragen waar ik tot voor kort het antwoord niet op wist. Het hield mij ook niet wakker ’s nachts, want ik ben een goede slaper. Maar nu weet ik het: Rousseau is geen racist. En dat meen ik doodserieus. Rousseau heeft een kwade dronk. Dat is iets helemaal anders. Bijna iedereen wordt onder de invloed van alcohol openhartiger: emotioneler tegen vrienden, scherper tegen vijanden. Bij mensen met een kwade dronk is dat niet zo. Ze maken ruzie met iedereen, aanwezig of afwezig, bruin of blank, man of vrouw. En daarvoor worden alle slagen onder de gordel gebruikt, ook racistische.’
‘Ondertussen weet ik dat Wojnarowicz een alleskunner was: hij fotografeerde, filmde, maakte collages, schreef scripts en ook boeken. Close to the Knives bevat zijn memoires. De ondertitel is A Memoir of Desintegration, en je weet niet of dat slaat op de auteur die zijn einde voelde naderen of op het politieke en het socio-economische landschap van de US of A dat in dit boek genadeloos gedissecteerd wordt.‘
Ik had zo veel vragen. Hadden de ouders geen recentere foto van hun kind? Waarom had de moeder (dat is meestal een taak voor de moeder, zo’n moeder die nerveus lachend akkoord gaat met de idiote plannen van haar man en dan bidt dat het snel voorbij is) Yamato niet via haar achteruitkijkspiegel in het oog gehouden toen haar man wegreed? Hoe lang doet een Japanse auto over ‘een paar honderd meter?’ Is dat genoeg tijd voor een 7-jarige om spoorloos te verdwijnen? Wist Yamato dat er een militaire hut in het bos was? Wist hij hoe hij daar moest komen? Maar ook: waarom voeden sommige ouders hun kinderen op tot zulke kutkinderen?
Van literatuur verwacht ik meer dan simpel vermaak, verwacht ik de confrontatie met het leven zelve. En daar hoort ook het diep emotionele bij. Aan het woord is Caro Van Thuyne, die op 16 november haar nieuwe boek, Bloedzang, voorstelde.
Dat hebben we deze ochtend nog niet uitgelezen, maar haar meest recente blogpost natuurlijk wel. Wellicht dat ik daarom weinig aangetrokken wordt tot ironie: omdat het zo vaak een vlucht voor de emotie is, een verbergen achter haha, gaat ze verder.
Daar zijn niet alle bloggers het mee eens, vermoed ik, alvast Els Claessens bouwt rond de vraag Wie liet er een pot aanbranden? een hilarisch verhaal waarin verschillende drama’s rondwaren – herkenbaar, en naar de echte pijn is het gluren door de klapdeuren naar de interne keuken.
De waarachtige humor schaterlacht niet, grijnst niet, grimlacht niet. Integendeel, hij glimlacht je teder toe, omdat hij aanvaardt, begrijpt, relativeert en verzoent. Sarah De Grauwe maakt er het programma van tien jaar Grauwe Gekheid van.
Drie keer wijsheid. Drie keer emoties. Drie totaal verschillende stemmen. Elk zijn eigen weg en wijze natuurlijk.
In het gesprek van Claire-Louise Bennett met Claire Vaye Watkins dat ik zag op Youtube zei ze daarover dat ze zoals de meeste vrouwen almaar het gevoel gegeven was dat wat ze te zeggen had niet interessant was, dat ze er beter aan deed te zwijgen en luisteren, dat ze daardoor heel snel had leren praten (o herkenning!) in de hoop gezegd te krijgen wat ze wilde zeggen voor ze de mond gesnoerd werd. Dat ze daarom in haar schrijven alle tijd en ruimte nam, ‘dat zou hen leren’, en ze lachte haar luide kletterende lach, wat hield ik van haar op dat moment, mijn zuster! dacht ik vol liefde, mijn grote zus, toon me hoe je het doet, leer het me. Omdat het ook mijn gevecht is: ruimte durven innemen in plaats van snelsnel te praten en me verontschuldigend kleiner te maken.
Helemaal achteraan, voorbij de garnituren, de koude keuken en patissier, stond hij, de afwasser, wijdbeens, met een kookpot tegen de borst gedrukt. Hij gromde en kirde van opwinding. De braadmeester had zijn vlees blijkbaar heel lang laten stoven. De randen en de bodem van de oude kookpot waren door het gasvuur zwartgeblakerd. Dat kon ik zien vanop de plek waar ik zat. Je had geen verbeeldingskracht nodig om te weten hoe de binnenkant van de pot er aan toe was. In zijn rood-zwart gestreepte onderhemd zag de afwasser eruit als een gewezen gewichtheffer. De dikke krulletjes borsthaar die onder zijn lijfje uitpuilden liepen zonder onderbreking door naar armhaar, nekhaar en rughaar.
Zeker ’s avonds, in een kamer waar je tweeënlijk alleen kunt zijn, met uitzicht op de uitgeluchte, stervende bomen, of een dito straat. Gordijnen dicht, wat kaarsenlicht. We kruipen er diep in weg, in de avond. We lezen, in Elschot, Baudelaire, in een bezielde stilte, of staren – lekker melancholisch – door het raam; naar een opwaaiende krant, een wandelaar, weggedoken in de kraag van een natte regenjas, oprukkende brandganzen. Een kop thee van wilde tijm. Verstoppertje spelen voor alles wat niet pluis is; voor het journaal, God, de oorlog.
Mensen denken van mij dat ik een heel druk leven heb. Dat komt doordat ik meer dan zijzelf op sociale media post dat ik ga optreden, of een avond zoals De Sprekende Ezels ga presenteren, in goeie banen leiden. Ik vind het nog zo aangenaam dat daar volk op afkomt, dus post ik dat op sociale media. Voor velen onder hen gaat het het dak der sociale conventies er helemaal af, wanneer men ook nog eens posts ontwaart waar ik reclame maak voor mijn andere avondactiviteit : het zogenaamde discjockeygebeuren. Dat is nogal wat voor de laat ons zeggen ietwat meer op zichzelf bestaande medemens.
Derhalve lijkt de perceptie rondom mijn persoon mij vaak helemaal scheefgetrokken, en heb ik de indruk dat men denkt dat ik geen avond thuis spendeer. Wat men natuurlijk een beetje mist is dat deze jongen sinds een aantal jaar gepensioneerd is ten gevolge van ‘psychische compressie’ na 17 jaar dienst bij de NMBS. Nu was dat fidele overheidsbedrijf deze ochtend andermaal in het nieuws, wegens een staking. De staking is een reactie van het personeel op het feit dat er andermaal een reorganisatie gepland is. Een reorganisatie die ongetwijfeld gepaard gaat met nog meer regels die het voetvolk (de treinbegeleiders en de machinisten) dienen op te volgen, wellicht gedirigeerd door nog meer leidinggevenden dan voordien. Daar ben ik dus aan ontsnapt.
En, sindsdien ontsnap ik zo mogelijk ongeveer aan alles. Ik kan geen vijf dagen op dezelfde plaats ‘gaan werken’. Ook niet als het tof is en met jongeren en weet ik veel wat allemaal wat het tof en ‘verrijkend’ zou kunnen maken. Neen. Ik kan het niet meer. Ik wil gewoon thuis zijn.
En dat ben ik dus vaker dan iets anders. Gewoon thuis. Zoals vandaag. De hoofdactiviteit van vandaag is het hout dat men komt brengen voor de houtkachel van het palet – dat die brave man die het komt leveren voor de deur zetten zal – tot in de garage dragen, want het kan niet rechtstreeks binnen gereden worden omdat de helling te steil is. Dat gaat dus over – even checken – negenhonderdvijfentwintig kilo hout, oftewel een paar kuub brandhout. Dat is een ganse opdracht. Ik kijk daar niet naar uit. Uiteraard belde die kerel net terwijl we aan het eten waren aan. Uiteraard begon het nét op dat moment te regenen. Maar we hebben de klus geklaard. Al die blokken van de pallet, op de kruiwagen of in de wasmand, en dan naar beneden dragen, vervolgens het ganse palletje uit elkaar kloppen met hamers, armen en benen, en dat alles in de garage stapelen.
Met zijn vieren. In de tijd dat de theme song van Star Wars, Get Back & Come Together en Don’t Let me Down van de Beatles, Vamos a la Playa van Righeira, The Final Countdown van Europe, Seven Nation Army van The White Stripes, Big in Japan van Alphaville, JailhouseRock van Elvis, Another One Bites the Dust & Under Pressure van Queen, Highway to Hell van AC/DC, Stayin’ Alive van Bee Gees, I Want to break Free van Queen, Take On Me van a-ha, Eye of the Tiger van Survivor, We Will Rock You, andermaal van Queen (daar zijn ze grote fan van) en ten slotte ‘Sweet Child O’Mine van Guns N’ Roses door de boombox knalden. 76 minuten en 74 seconden van de playlist van Titus en Boris. En de klus was geklaard.
Maar hout of geen hout, vandaag heb ik ook een deadline te halen. Deadlines zijn heilig. Die haal ik. De deadline voor vandaag is dat ik drie blogstukjes dien te selecteren die ik wens aan te raden. Deze blogs zijn hier terug te vinden, op Aanlegplaats
Voilà.
De keuze is gemaakt. Het is andermaal gebeurd op gevoel.
Het belangrijkste criterium was eenvoudigweg of ik wilde blijven lezen, in alle eerlijkheid, niet gestuurd door andere overwegingen zoals ‘ik moet ook iemand van dertig vinden die een lans breekt voor het feit dat iemand kwetsen echt niet kan in deze tijden, want als je iemand kwetst, dan dien je jezelf rekenschap te geven dat…’ En dan nog een ganse reutemeteut. Ik bleef hangen aan wat mij aansprak. Ik heb al altijd een vrij eigenwijze smaak gehad die zich moeilijk laat sturen door de gangbare tendensen. Zo vind ik Herman De Coninck zijn poëzie bijvoorbeeld doorgaans mooier dan de poëzie van Hugo Claus. Of die van Bert De Meulder dan die van zo ongeveer elke andere hedendaagse Vlaamse dichter. Terwijl er van Bert De Meulder zelfs nog geen dichtbundels bestaan. Om maar te zeggen…
De Nieuwe Contrabas vond ik de mooiste titel van een blog. Maar het intellectuele gescherm en gegoochel met namen en voornaamwoorden voor gevorderden in de bijhorende podcast, deed mij al snel wegdromen en terug overschakelen naar Krüder & Dorfmeister in mijn koptelefoon. Dus die werd het niet.
Fragmenten Zon, Zen, Murphy vond ik ook een goeie titel. Maar ook deze blog kon mij, ondanks de aanwezigheid van de zee, niet bekoren. Alweer het afdwalen in gedachten na twee, drie zinnen.
Allereerst koos ik zonder met mijn ogen te knipperen Komkommerdagen van Jo Komkommer. Meteen raak. Niet alleen omwille van het geweldige laatste stukje Procrastineren met Jo, maar voor zijn ganse schrijfstijl. Jo is een meester in het verhullen van wat hij allemaal weet, heeft meegemaakt, ziet, en ondervindt. Hij beschrijft alles met die hem zo kenmerkende tongue in cheek, hand in hand met een subliem gevoel voor verfijning en dit alles gecombineerd met een fantastische woordkeuze waar je, tijdens het lezen, spontaan van begint te glimlachen. Zijn onderwerpen zijn stuk voor stuk zo uit het leven gegrepen dat je het gevoel hebt naast hem te staan terwijl hij het vertelt als je zijn stukjes leest. Ik blijf Jo altijd tot het eind lezen. Vaak zijn zijn stukjes ook heel kernachtig krachtig. Dan gaat het ergens over, vaak gepaard aan een ontmoeting of een observatie en dan beschrijft hij dat, niet zelden met een stuk conversatie om alles nog meer tot leven te brengen. Dat lees ik dus graag. Ik ken die Jo Komkommer helemaal niet. Het is een grappige naam, dat wel, maar of die man zélf ook te genieten is weet ik absoluut niet. Ik ken niet zoveel mensen. Dat is niet zo erg. Wie weet kom ik hem ooit nog wel eens tegen en valt ie mee. Zijn blog met die geweldige titel Komkommerdagen kan ik in elk geval smaken, ook al ben ik allerminst een vegetariër.
Neem nu deze passage uit : Procastineren met Jo!:
‘Ik doe het morregen, da ‘k het zeker zal doen
Morregen, zeker voor de noen
Dit prachtig stukje poëzie uit de klassieker Morregen van Belgian Associality was lang mijn leidraad in het leven.
‘Waneer ruim je de kelder nog eens op?’
‘Wanneer bel je het ziekenfonds om de onduidelijkheid over hun laatste factuur uit te klaren?’
‘Wanneer beëindig je ons abonnement op Streamz, want we kijken er toch nooit naar?’
Morregen!
Het is niet zo dat ik de vrijgekomen tijd opvul met lethargie en de uren, liggend in ledigheid, naar het plafond starend hoor wegtikken. Ik vul ze, ironisch genoeg, juist vooral in met zaken die helemaal niets te maken hebben met datgene waar ik me op dat moment mee zou moeten bezighouden. Als ik me inschrijf voor een marathon haal ik de fiets van stal; als ik me moet voorbereiden op het wereldkampioenschap kleurenwiezen verdiep ik me in backgammon-strategieën; als ik mijn cv, vanwege een sollicitatiekans, naar het Engels moet vertalen, neem ik de trein naar Zeebrugge om er te gaan fotograferen. Plus ça change, plus c’est la même chose… Want vroeger bleef tijdens examenperiodes de leerstof lang ongeopend onder mijn bureaulamp liggen, maar blonk mijn slaapkamer als nooit tevoren – alsof een team van archivarissen en kuisvrouwen met vereende krachten er hun chef-d’oeuvre van hadden gemaakt.‘
Hahahaha. Dat is zo herkenbaar. En natuurlijk haal ik ook wel eens een deadline niet, al ben ik er wél heel goed in, om op het allerlaatste moment zo snél te werken, dat het mij doorgaans wel degelijk lukt. Maar dat uitstellen, amai. En kijk, dan is er iemand als Jo Komkommer, die als het ware mijn eigen leven lijkt te hebben genoteerd. Mooi is dat.
De tweede blog die ik leek te gaan kiezen was die van Ivo Victoria, de mooist vormgegeven blog die ik tegenkwam. Schitterend hoe de foto’s open plooien als je op het stuk in kwestie klikt. Visueel heel mooi. Ivo Victoria schrijft ook fantastisch goed. Dat vind ik altijd weer als ik iets van hem lees. Heel erg in het moment ook. Ik bleef hangen aan een stuk dat mij enorm aan mezelf deed denken. Bijna. Waar ik ter illustratie dit fragment wil uit lichten :
Bijna.
27 mei, 2022
‘Ben je al aan het schrijven?’ vroeg Gilles toen we in het steegje voor Kapitein Zeppos heus niet stonden te roken. ‘Bijna,’ zei ik. ‘O, ben je het aan het uitstellen?’ riep hij verlekkerd. ‘Ben je het aan het opbouwen in je hoofd?’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Zoiets.’ ‘Heerlijk,’ zei Gilles. Hij zuchtte en keek me aan alsof hij aan seks dacht, en wellicht was dit ook zo. Feit is: als ik op deze website weer wat blogjes begin te publiceren, dan weet je dat het bijna zo ver is. De motor draait warm, ik ga een aanloopje nemen, mezelf op gang trekken, en dan – net wanneer mijn blogjes een acceptabel niveau beginnen te halen – knijp ik er hier weer keihard tussenuit ommij aan the real deal te wijden, dan weten jullie dat vast, en het valt niet voorspellen hoeveel blogjes ik daarvoor nodig zal hebben.
Ja, dit is goed dacht ik. Hier herken ik mij in. Ik hoef mij niet in alles wat ik selecteer te herkennen, maar ik hou er wél van. Ik ga bijvoorbeeld niet de blog selecteren van de van sadomasochisme houdende, naar metal luisterende, net in de overgang van vrouw naar man zittende shockschrijver, omdat dat dan aantoont dat ik óók graag buiten mijn comfort zone treed. Ik treed helemaal niet graag buiten mijn comfort zone. Als ik het al doe, buiten mijn comfort zone treden, dan is het omdat ik niet anders kan, doordat er een bepaalde druk is van buitenaf waardoor het wenselijk is om even mee te gaan in de waan die anderen als ‘ideaal’ of ‘wenselijk’ zien voor mij, maar dan ga ik er in elk geval alles aan doen om mij zo snel mogelijk onopvallend uit de voeten te maken of te zorgen dat de klus in no time geklaard is zodat ik terug op mijn gemak thuis wat kan zitten klooien met mijn eigen muziek, mijn eigen woorden, mijn eigen keuzes.
En toen kwam ik de blog van Bart Moeyaert tegen, die ik bijna niet opende, omdat welja, Bart Moeyaert, die kennen we toch allemaal? De laatste keer dat ik Bart Moeyaert gesproken heb, was in de Kiosk in het park van het Theater Aan Zee gebeuren in Oostende. We deden daar radio TAZ. En men moest op een ladder klimmen om tot bij ons te geraken. Daar hadden Kevin Bellemans en ikzelf ons kraaiennest opgeslagen waar wij voor festivalradio zorgden. En Bart, die toen nog lang geen Nobelprijswinnaar was, die kwam op bezoek. We vroegen hem naar zijn favoriete muziek, speelden die, ik gaf hem een gesigneerde dichtbundel (denk ik toch), hij waarschuwde mij dat ik het wat rustig aan moest doen met al die nachtelijke feesten, ik zei hem dat ik dat gewoon was, en dat ik genoeg sliep overdag, en dat ik altijd oplet en zo, hij zei dat hij heel gulzig nieuwe muziek ontdekte, ik zei dat dit bij mij niet zo heel erg het geval meer was. Vaak moet ik terugdenken aan dat specifieke deel van ons gesprek, want door het digitaliseren van de muziek, wat toen nog niet helemaal het geval was, leer ik nu opnieuw héél veel nieuwe muziek kennen, zoals op Spotify of Bandcamp. Soit.
Het is dus ipv de blog van Ivo Victoria in extremis de blog van Bart Moeyaert geworden. Omdat ook die zo mooi is vormgegeven, en de korte stukjes zo snel te lezen zijn dat ik er effectief nog vaak naar terugkeren zal. Ik lees Bart ook zo enorm graag. Zijn heldere kijk op de dingen, maar wél altijd vanuit zijn perspectief, dat vaak volstrekt uniek is, zorgt ervoor dat ik ook bij Bart alles tot de laatste letter lees. Als ik er één stukje hoor uit te nemen, dan valt mijn oog op Deuredoen waar hij het heeft over het niet kunnen stilzitten, het niet goed ziek kunnen zijn. Dat herken ik. Niet van mezelf, maar van mijn vrouw, de geweldige, immer onversaagde, zelfs nu met een snotneus en niesbuien waar een mens schrik van krijgt, vérder wil doen. Gelukkig ben ik er dan, om haar aan te manen rust te nemen. Waardoor ze nu toch in haar bed ligt. Wel, Bart Moeyaert die heeft dat dus ook, zo kun je in dit stukje lezen :
‘Ik ben niet goed in ziek zijn, om niet te zeggen dat ik er ronduit slecht in ben. Dat heb ik van mijn moeder, denk ik. Als het bij haar op een bepaald moment echt niet meer ging, bleef ze hoogstens een halve dag in bed, maar zelfs dat vond ze moeilijk. Haar devies was: Deuredoen. Van dat bagatelliseren van een hoestje en het negeren van slappe benen heb ik ook een handje weg. Omdat ik vanaf morgen verdwijn – ik ga tot midden januari verder werken aan mijn volgende boek – is de druk hoog. Het to-do-lijstje duldt geen getreuzel, al heeft mijn lijf afgelopen maandag al aangegeven dat het liever wil gaan liggen. Elke avond heb ik gedacht: morgen beter. Dat kun je horen als een vertaling van mijn moeders deuredoen, maar het is niet omdat je iets wenst dat die wens ook uitkomt. Ik geef mezelf nog een dag. Als ik morgen wakker word met het gevoel dat er weer meer vrachtwagens over me heen zijn gereden, dan blijf ik liggen. Dat heb ik mezelf beloofd. Een halve dag niet deuredoen, dat moet lukken.
Het derde blogstukje dat ik heb geselecteerd komt uit De Rode Valies van Tanja Wentzel.
Ik kies voor Tanja, omdat ze zo mooi beschrijft wat ze meemaakt, op straat, in haar buurt, of in haar nieuwe buurt, of in Brussel tout court. Brussel is zo mooi, en Tanja, die ziet dat, en dan schrijft ze daar over. En tussendoor maakt ze mooie bedenkingen zoals hier in Afwas :
‘Hier aan de afwas denk ik niet meer aan het zwoele terras waar ik had kunnen zitten. Vroeger hadden mijn broer en ik ook altijd mooie gesprekken terwijl ik afwaste en hij afdroogde. Hoeveel goede gesprekken gaan er in gezinnen verloren doordat de afwas nu machinaal wordt gedaan?’
Ik besef dat enkel al het selecteren van deze drie blogstukjes mij zeer veel zin heeft doen krijgen om zelf terug aan een blog te beginnen. Daarom alleen al ben ik de initiatiefnemers van Aanlegplaats zeer dankbaar. Ik ga hier vaak terug aanleggen, de vangst van de dag bekijken, er aan snuffelen, en deze soms gulzig verorberen. Het was mij een ware eer om gastvisser te zijn. Ik heb deze opdracht ter harte genomen. Ik voel – als zeemens voel je dat – dat ik mijn anker hier heb uitgegooid nu. Het is nu kwestie om zelf een boot te bouwen. Dan kom ik teruggevaren. Zal ik een plaatsje in de haven trachten tot het mijne te maken. Het is er precies de tijd voor. Dus nogmaals mijn oprechte dank aan de havenmeesters en blijf de vuurtoren in het oog houden.
Jan Ducheyne
Ter afsluiting dit gedicht uit 2005 waar ik ineens aan denken moet :
Diepzeeduiker
Dagen gaan als in een trance voorbij,
Een aaneenschakeling van indrukken
Ze springen haasje over met elkaar
Geuren, geluiden, klinkende stilte.
Moerassen vol woorden doemen op
Na een nieuwe B
O
C
H
T in m’n kop
Geen eb en vloed. Geen eb en vloed. Geen eb en vloed…
(Ik ga af en toe kopje onder, vlinders slaan gaat écht niet…)
Ik ben meer een
Diep-
Zee-
Duiker
Zonder Zuurstofflessen
En O ja,
Ik ken de zee…
En ik ben
Mijn eigen…
Kapitein!
Daar dacht ik nu ineens aan. Ik schrijf niet meer zo. Ik schrijf bijvoorbeeld veel minder ‘drie gedachtenpuntjes’ nu. Bijna nooit meer. Ook dat spelen met woorden zoals ‘bocht’ en die in het blad duikende duiker laat ik achterwege. Maar ik ben nog steeds, zelfs meer dan ooit, mijn eigen kapitein. En dat stemt mij uitermate tevreden. Bij deze.
Jan Ducheyne heeft het plan om met de blog De Kabine te beginnen. Wellicht morgen, tenzij hij in De Vismet gaat eten.